Zuid-Azië

  • Een onvergetelijke rondreis door de parel van de Indische Oceaan

    Een onvergetelijke rondreis door de parel van de Indische Oceaan

    № 27 | Deel 4: Zuid-Azië

    Woest klappen de hoge golven stuk op het komvormige strand van Arugam Bay. Het plaatsje ligt in het afgelegen zuidoostelijke puntje van Sri Lanka en staat bekend als een waar surferswalhalla. De golven zijn hier niet zo majestueus als op Hawaii, maar uitdagend genoeg om surf dudes vanuit de hele wereld aan te trekken. Het is een genot om naar de stunts van deze gasten te kijken.

    De plek waar we verblijven is het sfeervolle Ranga’s Beach Hut, een fenomeen onder surfers en backpackers. Arugam Bay, wat op zichzelf niet zoveel voorstelt, is helemaal ingericht op de doelgroep: winkeltjes die sunscreen van Australian Gold en surfshorts van Billabong verkopen, surfboardverhuurders waar je ook kijkt en eettentjes met slogans als: ‘eat, surf, sleep’ en: ‘hungry surfers breakfast’. Die laatste hebben we geprobeerd en met enige zekerheid kunnen we stellen dat een hongerige golvenbedwinger hier echt geen genoeg aan heeft. De bananenroti’s smaken echter heerlijk, evenals de chicken fried rice.

    Arugam Bay vormt bijna het eindpunt van onze rondreis kriskras over dit traanvormige eiland. Een eiland wat zich laat kennen als boeiend en gevarieerd in vele opzichten. Of het nu gaat om natuur, taal, religie of bouwstijl, overal is het anders. Er zijn groene heuvels vol theeplantages, watervallen, bergen, stranden, rijstvelden, jungle, talloze natuurparken, en heel, heel veel tempels. Een eiland vol kleuren, geuren, kruiden en geluiden. Niet voor niets is de betekenis van ‘Lanka’: schitterend eiland. We snappen nu waarom.

    Opgelicht

    Onze vierweekse reis door voormalig Ceylon begint in het niet bijster aantrekkelijke kustplaatsje Negombo, wat op zo’n 20 kilometer van Colombo International Airport ligt in het zuidwesten van het eiland. Colombo zelf ligt nog een stukje verder van het vliegveld vandaan en is druk en chaotisch. Dat kan zijn bekoring hebben maar liever kiezen we voor de wat rustigere plaatsen. Grote steden zullen we op onze reis nog meer dan genoeg gaan zien.

    Helaas hebben we in Negombo een vervelende ervaring. We worden er door een sluw, oud mannetje op een laaghartige manier opgelicht. Wat begint als een ogenschijnlijk ‘spontaan’ gesprek loopt uit op een soort wisseltruc. Wij, twee naïevelingen die inmiddels aan de onbaatzuchtige vriendelijkheid van de Iraniërs, Centraal-Aziaten en de Maldiviërs gewend zijn geraakt, gaan volkomen mee in de belangstellende vragen van de man, die zichzelf Derek noemt. Ja, we zijn nog maar net in Sri Lanka, dat klopt. Gisteren geland. Waar we slapen? Barracuda Beach Hostel. Waar we vandaan komen? Uit Nederland. Wat grappig, laat hij daar nou net familie hebben wonen! Of we trouwens geen last van muggen hebben? Ja, wel een beetje. Geen nood, hij heeft een oplossing. Hij laat ons zijn arm zien waar een soort balsem op zit met citroengeur. Derek weet wel een winkel waar ze dat goedje verkopen. Vijf meter voor het bewuste winkeltje vraagt hij aan G. of ze op zijn fiets wil passen. Daarna loopt hij verder met mij en vraagt buiten de winkel om geld waarmee hij het potje kan kopen. Ik mag niet mee naar binnen want anders krijgt hij niet de speciale ‘Sri Lankan price’. Als hij terugkomt met het potje en ons wisselgeld blijkt dat we veel meer terug moeten krijgen, maar voor we dit doorhebben is de gluiperd verdwenen op zijn fietsje. Wij blijven achter mét potje maar 5000 roepees—30 euro—lichter. O, wat zijn we kwaad! Na onze woede volgt berusting en uiteindelijk de relativering. Niets meer aan te doen en vreselijk stom dat we niet beter opgelet hebben. Hopelijk geniet hij er van!

    Het blijkt al snel dat Derek een uitzondering is. De meeste mensen die we tegenkomen zijn oprecht vriendelijk, behulpzaam en vooral vreselijk nieuwsgierig. “Hello sir! Hello ma’m! Where are you going? Need tuktuk?” Soms is het een uitdaging om alle voorstellen op beleefde, vriendelijke wijze te beantwoorden of af te slaan want elke dag krijgen we ze bij bosjes opnieuw. Leuk is om dezelfde vraag terug te stellen. Verbaasde gezichten zijn het gevolg, en soms een bijna verontwaardigd antwoord. Waar ik vandaan kom? Uit Sri Lanka natuurlijk! Wat dacht je dan?

    Met de bus

    Op advies van de hosteleigenaar in Negombo besluiten we om eerst naar het noorden en oosten te gaan. De cycloon Roanu, die in Sri Lanka landverschuivingen veroorzaakt heeft met doden, vermisten en grote schade tot gevolg, hebben we gelukkig op een haartje na gemist, maar in het zuiden is wel veel regen. Ons besluit is snel gemaakt: eerst naar het historische Anuradhapura en dan naar Jaffna, hoofdstad van de Tamils in het droge noorden. Sinds 2009 is de burgeroorlog officieel beëindigd en het reizen naar Noord-Sri Lanka veilig. Later horen we dat er nog steeds veel spanning en grote ontevredenheid heerst, maar dat dit nu politiek wordt uitgevochten. Een autonoom gebied, de wens van veel Tamils, lijkt verder weg dan ooit.

    Goedkoop reizen in Sri Lanka betekent: de bus. Snel gaat het niet, want om de haverklap vliegt de chauffeur in de remmen omdat het stikt van de bushaltes. En vol, dat bestaat—ook hier—natuurlijk niet. Proppen en zweten is het devies. Alleraardigst is wel dat men, net als in Bangladesh, de ‘wandelende economie’ kent: verkopers die van voor naar achter de bus door sjouwen, onderwijl luid hun waren aanprijzend. Waar kan dat nou nog: in de bus een softijsje kopen? In het staccato klinkende en onvoorstelbaar snel uitgesproken Singalees worden water, ijsjes, frisdrank, geroosterde pinda’s, fruit, broodjes en nog een hele hoop voor ons volstrekt onbekende producten aan de man gebracht. Ook wordt er volop op de stimulerende betelnoot gekauwd, wat later weer wordt uitgespuugd. De Pakistan-, Bangladesh- en Indiareiziger zal dit zeker bekend voorkomen. Je kunt van reizen per bus in Sri Lanka zeggen wat je wilt, een avontuur is het zeker. Van binnen rijkelijk versierd met slingers, gordijntjes, belletjes, hindoe- of boeddhabeeldjes, en aan de buitenkant niet zelden prachtig gepaintbrusht. Een kaartje is extreem goedkoop: tussen de 100 en 300 rupees—omgerekend meestal nog geen euro. Met de bus gaan is hier misschien wél onverstandig als je niet tegen wierook, hitte, binnenwaaiend stof of zweetlucht kunt, of wanneer je het lastig vindt om je over te geven aan de rijkunsten (letterlijk!) van de buschauffeur. Het zijn namelijk heuse kunststukjes die ze uitvoeren met hun stuurwiel, zo nu en dan een erg riskante, zo niet levensgevaarlijke verkeerssituatie veroorzakend. Niemand kijkt er echter van op. We begrijpen nu wel beter waarom er tot al die goden geofferd en gebeden moet worden voor vertrek.

    Anuradhapura

    De bus brengt ons in een uurtje of vier via een overstap in Kurunegala naar Anuradhapura, wat in zijn geheel op de werelderfgoedlijst staat. Betalen voor de UNESCO sites doen we niet want dat vinden we veel te duur. Het zal een terugkerend refrein gaan worden. Sri Lanka is berucht voor ’tourist pricing’, het fenomeen dat toeristen onredelijk veel meer moeten betalen dan locals. We voelen er weinig voor om daaraan mee te werken, al hebben we hierop een paar uitzonderingen gemaakt. Dit is er geen van, wat de reisgidsen ook zeggen. Hoewel de oeroude pagoda’s en stoepa’s van Anuradhapura er op foto’s prachtig uitzien, hebben we er toch niet zoveel mee. Helemaal overslaan doen we de stoepa’s echter ook niet. We maken een mooie wandeling langs de enkelen die gratis zijn, compleet met apen, tropische vogeltjes en monniken. De overnachting in het nabijgelegen Coconut Park is het vermelden waard: erg basic maar schitterend gelegen tussen de rijstterrassen. Zelden hebben we in zo’n rustieke omgeving overnacht als daar en zelden hebben we zo’n mooie zonsondergang gezien.

    Jaffna

    Het traject naar Jaffna doen we per trein. Het gaat een beetje hobbel-de-bobbel (wie heeft die spoorlijn aangelegd?) maar het reist een stuk sneller en comfortabeler dan de bus. Rond het middaguur bereiken we het snikhete Jaffna. Volgens onze ingesleten gewoonte lopen we met behulp van Maps.me foutloos naar Theresa Inn, een guesthouse dat goed aangeschreven staat in de LP. Ze hebben nog plek, en die plek blijkt een ietwat muffige maar spotgoedkope tweepersoonskamer te zijn. Bedompt en een ventilator in plaats van airco maar ach—het maakt ons weinig uit. Eigenlijk hadden we met ons krappe budget verwacht om steeds in slaapzalen terecht te komen maar omdat de prijzen voor tweepersoonskamers in Sri Lanka zeer redelijk zijn (en dorms nauwelijks aanwezig) is dit niet eens nodig. Gedurende de hele maand in Sri Lanka slapen we op tweepersoonskamers van tussen de vijf en hoogstens vijftien euro per nacht! Goedkoper dan gedacht en een onverwachte luxe.

    Het geluid begint zomaar. We hangen wat rond op de binnenplaats van Theresa Inn en genieten net van de middagstilte die zo kenmerkend is voor de tropen, als er een vreemdsoortige muziek ons gehoor binnendringt, treurig jengelend. Een B-muzikant met liefdesverdriet misschien? Navraag leert dat het om een hindoe-begrafenis gaat. Een tragisch geval van een nog jong, ongetrouwd meisje dat zelfmoord heeft gepleegd. De cijfers van zelfdoding zijn schrikbarend hoog in Sri Lanka. Het grijpt ons aan. De sombere, doedelzak-achtige tonen gaan nog uren door.

    In Jaffna leren we een nieuw gerecht kennen: dosa’s. Het zijn flinterdunne, knapperige pannenkoeken geserveerd met drie soorten kruidige curry’s. Het gerecht wordt met name gegeten in Zuid-India en Noord-Sri Lanka. G. wil niets liever meer. Dit nieuwe gerecht brengt ons op het lumineuze idee om een nieuw lijstje bij te gaan houden. Na het budgetlijstje waar we onze dagelijkse uitgaven exact in bijhouden hebben we nu het favoriete gerechtenlijstje. Vraag ons er maar naar als we terug zijn.

    En dan stappen we ineens weer een dagje op de fiets. Wat vreemd vertrouwd! Theresa Inn heeft fietsen te huur en je begrijpt dat het geen optie is om als Hollander die kans niet aan te grijpen. Jaffna lijkt voor fietsen gemaakt. Het is nog geen Nederland maar over het algemeen zijn de straten rustig en—ook niet onbelangrijk—schaduwrijk door de vele overhangende bomen. In rustig tempo pendelen we door de stad. De overblijfselen van het Nederlandse fort kunnen we uiteraard niet overslaan maar ook het wat verloederde havengebied is de moeite waard. Fietsen door deze straatjes geeft een uniek inkijkje in het leven van de beduidend armere vissersbevolking. Blote kindertjes onder een tuinslang die je aanstaren alsof ze nog nooit een blanke hebben gezien (wat waarschijnlijk ook zo is), overal verse (en minder verse) vis op straat, open vuurtjes en oude mannetjes druk bezig met het repareren van hun visnetten. Op de terugweg naar ons guesthouse beleven we een hachelijk moment want we fietsen bijna over een enorme goudgele slang heen die ineens de weg op kronkelt. Eén van de vele exotische dieren die we in Sri Lanka te zien krijgen.

    Nilaveli

    Onderweg naar de volgende bestemming, Nilaveli aan de oostkust, zien we de mijnopruimingsdienst bezig. Er schijnen er nog een hoop te liggen. We doorkruisen het lege noordoosten, dat vol staat met prachtige palmyrapalmen die hoog de hemel in rijzen. Gaandeweg raakt de bus steeds voller en op het moment dat we denken dat er echt niemand meer bij kan wordt er bij een volgende bushalte nog een halve klas schoolkinderen in het overvolle gangpad gefrommeld. Het is ongelofelijk maar in Sri Lanka kan het. Toch hebben we geen hekel aan de bus. Wil je iets van de cultuur meemaken dan is de bus bijna een vereiste, zeker in een land als Sri Lanka.

    Nilaveli is geweldig. Witte stranden, een kalme zee, een hechte gemeenschap van vissersfamilies—voornamelijk moslim—en enkele accommodaties voor toeristen, dat is het. Nauwelijks is meer te zien dat deze streek een gigantische klap heeft gehad door de tsunami in 2004. Nazir, een vriendelijke oude visser met wie we op een vroege ochtend de zee op gaan om dolfijnen te spotten, vertelt erover. Zevenentwintig mensen zijn er verdronken op de plek waar hij op dat moment was. Een heel aantal hebben hij en anderen gelukkig kunnen redden. We proberen ons iets voor te stellen bij de vloedgolf en de massale vernietiging maar dat lukt niet. Wat een leed moet deze man, en al deze mensen hier aan de kust, doorstaan hebben. Zoveel verloren. Dierbaren, inkomen, bezit. De zee waar we zwemmen en het witte strand lijken zo vredig. Vissers zijn gezamenlijk bezig een enorm sleepnet op de kant te krijgen, palmen wuiven, de zon brandt. Wat kan zo’n aanblik toch huiveringwekkend bedrieglijk zijn.

    In Nilaveli Palmhouse leren we een maf Schots-Australisch stel kennen dat gepensioneerd is en aan hun tweede leven lijkt te zijn begonnen. Net als ons zijn ze op wereldreis maar dan de andere kant op. ‘Ergens in november’ hebben ze een bruiloft in Schotland, voor de rest maakt het ‘waar’ en ‘hoelang’ hen weinig uit. De echte reizigersmentaliteit dus. Heerlijk! We proberen gezamenlijk vanuit het nabijgelegen Trinco (Trincomalee) een walvistoer te regelen met een marineboot die is uitgerust met sonar maar helaas zijn er te weinig aanmeldingen. Een kleine teleurstelling, want Sri Lanka is een absolute topbestemming voor het zien van de blauwe vinvis, het grootste dier ter wereld. Het mag niet zo zijn dus blijft de blauwe vinvis vooralsnog een droom.

    Olifanten

    Gelukkig wordt dit al snel vergoed door het zien van dat andere grote zoogdier: de olifant! We worden er plotsklaps door medepassagiers op gewezen als we twee weken later in de bus zitten van Siyambalanduwa naar Arugam Bay. Een wilde olifant komt kalm tevoorschijn uit het struikgewas en blijft rustig door grazen aan de wegkant. Op gepaste afstand passeren we het beest. De mensen in de bus zorgen er wel voor dat we het schouwspel niet missen, wat we erg lief vinden. Het is niet de eerste olifant die we zien in Sri Lanka maar wel de meest spontane ontmoeting.

    Een eerdere ontmoeting met de Aziatische olifant hebben we in het Hurulu Ecopark, vlakbij Habarana, ergens in het groene midden van het eiland. We krijgen een uitstekende gids toebedeeld voor een goede prijs. Dit soort safari’s zijn niet goedkoop en daarom mogen we voor $75 toch zeker niet klagen. We zien het eerste uur alleen felgekleurde vogeltjes, die ontzettend mooi zijn (vooral de groene bijeneter) maar niet ons primaire doel. We beginnen een beetje in onszelf te mopperen en te murmureren en ontevreden gedachten proberen een uitweg te zoeken. Hebben we hier nou voor betaald? Beschamend, want onze gids is echt een hele goeie en weet de olifanten toch te vinden. Meerdere groepen zien we, en bijna allemaal met jonkies. Schitterend! Je moet niet denken dat er met deze beesten te spotten valt trouwens. De gids vertelt een verdrietig verhaal over een buitenlandse toerist op de fiets die een selfie maakte met een wilde olifant en dat met haar leven moest bekopen. Olifanten kennen een hoge schattigheidsfactor maar het zijn geen knuffelbeesten…

    Natuurlijke rijkdom

    Hoe langer we door het land reizen, hoe meer we erachter komen dat Sri Lanka een bestemming is die eigenlijk alles heeft. Een natuurlijke rijkdom waar je u tegen zegt. Bloemen, planten, kruiden, specerijen… you name it. We krijgen er een kleine indruk van in één van de spice gardens rondom het prettige plaatsje Matale, waar we een gratis rondleiding krijgen door een student die een studie volgt op gebied van geneeskrachtige planten. We zien, proeven en ruiken tientallen bekende en onbekende kruiden en vruchten zoals kaneel, gember, kruidnagel, vanille en pepers en ik krijg zelfs een beetje plantaardige ontharingscrême op mijn hand gesmeerd. Dat spul werkt akelig goed!

    Kandy

    Na Matale komen we terecht in het beroemde Kandy. Cultuurliefhebbers mogen deze plek niet overslaan want hier, in het paleizencomplex dat ooit centrum was van het koninkrijk van Kandy, staat de ‘Temple of the Sacred Tooth Relic’, een belangrijke boeddhistische tempel waar een hoektand van boeddha zou liggen. We hebben er zelf niet zoveel mee en bezoeken liever de naastgelegen St. Paul’s kathedraal. Als we aan Kandy denken, dan denken we niet zozeer aan cultuur maar vooral aan Lady Gordon’s Homestay. Een ontzettend lief, gepensioneerd echtpaar dat nadat hun kinderen in het buitenland zijn gaan studeren het leuk vonden om een homestay te beginnen. En dat doen ze uitstekend! Niet vaak hebben we zo’n goeie verhouding in prijs/kwaliteit meegemaakt. De langharige poes Furby kan zelfs G. lichtelijk bekoren, en dat zegt wat. Met het ontbijt komen we in gesprek met de enige andere gast, een jonge Filippijnse vrouw die bij Artsen zonder Grenzen in Afghanistan werkt en gekozen heeft om haar R&R (rest and relaxation) in Sri Lanka door te brengen.

    Treinreis door de Hill Country

    Verreweg het indrukwekkendste landschap vinden we in de Hill Country. Dit hoger gelegen deel van Sri Lanka staat bekend om maar één ding: thee. We maken de treinreis die waarschijnlijk elke toerist in Sri Lanka maakt omdat dit één van de mooiste manieren is om de theeplukkers aan het werk te zien en de route je door een wirwar van tunnels langs watervallen, rotswanden en onbedorven jungle voert. Het wordt door diverse toonaangevende reisgidsen omschreven als één van de mooiste treinreizen ter wereld en hoewel dit een beetje prestigieus klinkt is het niet overdreven. Het gaat om de route tussen Kandy en Badulla. Het regenachtige, hooggelegen Nuwara Eliya is qua temperatuur en de Britse overblijfselen (waar de aanbevelingswaardige Lion’s Pub er één van is) een prettige afwisseling maar niet zoveel meer dan dat.

    Voor mensen met haast is de beste tussenstop op deze schilderachtige route zonder enige twijfel het lieflijke bergdorpje Ella. In Ella maken we een—voor ons doen—zware bergwandeling. Ondanks het niet nemen van de geadviseerde gids verdwalen we niet omdat we op een kritiek punt gelukkig andere wandelaars tegenkomen. Na anderhalf uur puffen en zweten worden we beloond met fabelachtig uitzicht en een hoop voldoening in eigen kunnen. Wat ook voldoening geeft, maar dan in onze buik, is het ontbijt bij Ella Adam’s View. Tropisch fruit, yoghurt, gevulde roti’s en vruchtensap, geweldig toch? Tel dat op bij het fantastische uitzicht vanuit de kamer, de vuurvliegjes, vlinders, eekhoorns en apen rondom het verblijf én een onverwachte upgrade van chalet naar deluxe room en je begrijpt dat Ella Adam’s View nu in onze accommodatie top 3 staat.

    Een heel andere ervaring hebben we bij budgethotel Habarana. Het is onze eerste en enige slechte ervaring wat betreft accommodaties. Heel slecht. In het kort komt het erop neer dat de eigenaar eist dat we hem dubbel betalen omdat hij geen geld zou hebben ontvangen. Van de creditcard-afschrijving die we hem tonen wordt hij niet warm of koud en hij bijt ons agressief toe dat wij een probleem hebben en niet hij. Krijg nou wat, zo bont hebben we het nog niet eerder meegemaakt! Gelukkig loopt het uiteindelijk goed af maar wel met ontzettend veel moeite.

    Tangalle en Galle

    Na Ella reizen we door naar het al beschreven Arugam Bay en vervolgens naar de zuidkust, waar we de laatste week doorbrengen. In Tangalle boeken we opnieuw een homestay, een vrijstaand huis in een lommerrijke, wat duurdere wijk aan de rand van de stad en op steenworp afstand van het strand. Galle staat uiteraard ook op het lijstje want we blijven Nederlanders. Deze plaats moet geschiedenisliefhebbers bekend in de oren klinken. Op deze strategische plek bevond zich een tijdlang het hoofdkwartier van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Heel even denken we op Urk rond te lopen, want het historische stadsdeel Galle Fort, waar ook ons hotelletje is, ziet er op en top Hollands uit. De Groote Kerk (Dutch Reformed Church), de vuurtoren, de koloniale gebouwen, de smalle straatjes… Zelfs de straatklinkers zijn hetzelfde. We laten ons vertellen dat de klinkers gesponsord zijn door ons vaderland. Vandaar.

    Aan alles komt een eind

    Een prachtige treinrit die ons pal langs de zee voert, brengt ons van Galle naar Colombo. Op veel plekken is de smalle strook land tussen het spoor en de zee compleet volgebouwd met krotten van afvalhout en golfplaat. Je zou er maar wonen.

    En toen kwam er, zoals er aan alles een eind komt, een eind aan onze rondreis door dit prachtige stukje wereld. We zijn erg onder de indruk geraakt van de schoonheid van Sri Lanka en haar vriendelijke bevolking (op een enkeling na dan). Mocht je ooit in vertwijfeling zijn waarheen je op vakantie wilt, twijfel dan niet langer. Ga naar Sri Lanka, je zult er geen spijt van krijgen.

    In Colombo pakken we de bus naar het vliegveld en daarna een tuktuk naar ons guesthouse in het iets verderop gelegen gehuchtje Andiambalama, want onze vlucht naar Kuala Lumpur vertrekt de volgende dag.

  • Picture perfect op klein budget

    Picture perfect op klein budget

    № 26 | Deel 4: Zuid-Azië

    Nee, we hebben niet ons spaargeld in één keer opgemaakt. Dit had makkelijk gekund, want verblijven op een luxueus Maldivisch resort-eiland kan je zomaar duizend euro per nacht kosten. Gelukkig kennen de Malediven ook genoeg betaalbare palmboomparadijsjes: de eilanden waarop de lokale bevolking woont. Twee hiervan hebben we bezocht. Vooral de laatste, Fulidhoo, was van een werkelijk verbluffende schoonheid.

    Toerisme-ontwikkeling

    Eerst even wat achtergrondinformatie. De Malediven bestaan uit zo’n 2000 eilanden, onderverdeeld in 26 atollen en verspreid over een enorm groot gebied. Het grootste eiland, Malé, meet slechts 5 km². De eilandengroep is gelegen in de Indische oceaan, ten zuidwesten van India en wordt doorkruist door de evenaar. Van alle eilanden zijn er maar 200 bewoond, plus nog zo’n 90 resort-eilanden. Waarschijnlijk zijn deze resorts, met rijen waterbungalows op palen, een infinity pool en kamerprijzen waar je voor drie maanden eten van kunt kopen, je eerste associatie met de Malediven. Een onbetaalbare, onbereikbare bestemming voor de gemiddelde mens. Dat dachten wij ook, totdat we ontdekten dat je wel degelijk voor een redelijk bedrag kunt eten en slapen op de Malediven. Sinds 2009 hebben verscheidene lokale eilanden namelijk toestemming gekregen om toeristen op hun eiland te verwelkomen, wat heeft geresulteerd in de opening van diverse guesthouses. Maafushi is in dit opzicht het bekendste en meest ontwikkelde eiland. Het ligt relatief dichtbij het hoofdeiland Malé en het daarnaast gelegen Hulhumale, waarop het vliegveld ligt. Relatief dichtbij dan, want met de ferry (langzamer dan een speedboot maar spotgoedkoop) duurt het nog steeds ruim anderhalf uur om op Maafushi te komen.

    De afstand tussen de eilanden—sommigen liggen zo afgezonderd dat je beter een binnenlandse vlucht met een watervliegtuig kunt nemen—is direct ook één van de charmes van de Malediven. Doordat veel eilanden niet zo makkelijk te bereiken zijn (lees: urenlang op de boot) blijven ze redelijk authentiek en rustig. En dat is nu juist waar veel onafhankelijke reizigers naar op zoek zijn.

    Van te voren doen we enig naslagwerk in de vorm van reisblogs lezen en prijzen vergelijken. Omdat er zoveel lokale eilanden zijn (de één nog mooier dan de ander) is het moeilijk kiezen, maar uiteindelijk boeken we drie overnachtingen bij Isle Beach Inn op Maafushi en drie bij Thundi Guesthouse op Fulidhoo, een nog kleiner eilandje twee uur verder varen naar het zuiden. De gemiddelde kamerprijs is met vijftig euro wel een stuk duurder dan ons gemiddelde budget, maar nog steeds erg goedkoop in vergelijking met de resorts. En het is goed waar voor je geld, want hiervoor krijg je een luxe kamer met eigen badkamer, een groot tweepersoonsbed, airco, gratis water, koffie en thee, een riant ontbijt en vrij gebruik van snorkelsets. En natuurlijk palmbomen met hangmatten en een uitnodigend wit strand bij je voordeur.

    Malé

    Omstreeks zeven uur ’s ochtends landen we op het piepkleine vliegveld van de Malediven, wat aan alle kanten omsloten is door water. En wat voor water! Tijdens de korte oversteek van het vliegveld—eiland naar hoofdeiland en hoofdstadje Malé (vanwaar de grotere veerboten naar omliggende eilanden vertrekken) worden we onmiddellijk betoverd door de prachtige blauwtinten en de ongelofelijke helderheid van het water waar de Malediven bekend om staan. Malé zelf is iets minder interessant want het is helemaal volgebouwd en het stikt er van de motors en scooters. Doordat het de dagen ervoor enorm geregend heeft liggen sommige straten vol regenwater. Het levert een paar leuke foto’s op en natte voeten. Maar dat is met temperaturen van dertig graden helemaal niet erg.

    Omdat de veerboot van Malé naar Maafushi pas om half drie ’s middags vertrekt zijn we gedwongen om het grootste gedeelte van onze eerste dag in Malé rond te hangen. We doden de tijd met eten inslaan bij de supermarkt, een lekker ijsje eten bij Seagull restaurant en alle kledingwinkeltjes van Malé afspeuren naar een nieuwe pet voor Joost Jan want de vorige, een mooi geruit petje uit een hip winkeltje in Istanboel, ligt stom genoeg nog in het vliegtuig. In theorie hadden we hem best terug kunnen krijgen want we komen er bij de bagageband al achter en we zien ons vliegtuig nog gewoon staan. Maar ja, even teruglopen gaat nu eenmaal niet. In plaats daarvan melden we ons keurig bij de gevonden voorwerpen waar een mannetje wordt gebeld die in het vliegtuig onder onze stoelen gaat zoeken. Allemaal leuk en aardig maar het werkt niet. Er wordt niets gevonden terwijl we zeker weten dat de pet er ligt. Of we toch niet even zelf mogen… Helaas. Grrr. Dan maar een nieuwe pet want het is toch wel fijn om in de tropenzon iets op je kale knikker te hebben. Gelukkig vinden we een mooie pet in vergelijkbaar model, een donkergrijze met witte strepen.

    Maafushi

    Inmiddels is het al middag en omdat we in geen geval de veerboot willen missen (ze gaan om de dag) lopen we maar alvast naar de ferry terminal. We kopen de tickets (omgerekend €1,30 voor anderhalf uur varen) en daarna vallen we pardoes in slaap in de wachtruimte. Twee gebroken nachten in het vliegtuig eist zijn tol. Als we enkele uren later, na een rustige overtocht op kalme zee, op Maafushi de boot afstappen worden we opgewacht door het personeel van Isle Beach Inn. Onze backpacks worden op een karretje geladen, wat voor rugzakreizigers best een bijzondere ervaring is. We krijgen verse papayasap als welkomstdrankje, een uitleg over het eiland en daarna de vraag wat we als diner willen. Onze weekje vakantie is begonnen!

    De drie dagen op Maafushi vliegen voorbij. We zwemmen, zonnen, snorkelen, klimmen in palmbomen, genieten van de zonsondergangen en, helaas, we verbranden. Het blijft wennen, die tropische zon, ondanks onze eerdere ervaringen op de Filipijnen en in Panama. Het kan komen dat de zonkracht hier zó sterk is dat zelfs constant insmeren (wat we deden) niet genoeg is, maar misschien ligt het ook wel aan de tweedehandskwaliteit zonnebrandcrème uit Rusland die we in Centraal-Azië voor een schijntje op de kop hebben getikt. ’s Avonds maken we wandelingen langs het strand met een zaklamp want dan komen de pijlstaartroggen en de zwartpuntrifhaaien (die je tijdens het snorkelen overdag minder snel ziet) heel dichtbij het strand en zijn ze goed te volgen met het lichtschijnsel. Niet alleen het strand maar ook het eten bij ons guesthouse is genieten want de Bengaalse kok kan onvoorstelbaar lekker koken. De rode snapper bij het diner, de tropische fruitsalades met ananas, mango en papaya, het Maldivische ontbijt… Dat laatste is echt iets bijzonders en zouden we graag eens willen uitproberen in Nederland. Het standaard ontbijt in de Malediven, Mas Huni, bestaat uit wraps (chapati’s) gevuld met tonijn, kokos, limoen en ui en wordt gekruid met chilipoeder, rode peper en knoflook. Heerlijk!

    iPad vergeten

    Een paar dagen later, op de veerboot van Maafushi naar Fulidhoo, komen we tot een onaangename ontdekking: onze iPad ligt nog bij het guesthouse! Niet iets wat je kwijt wilt raken want daarmee staan we in contact met onze familie en vrienden en regelen we alle praktische zaken op onze reis. Hoe stom kunnen we zijn! Gelukkig hebben we het visitekaartje van Isle Beach Inn in onze zak en mogen we de telefoon gebruiken van een lokale medepassagier. De iPad is snel gevonden en ze zullen ‘m meegeven met de kapitein van de volgende veerboot—over twee dagen. Aangekomen bij Thundi Guesthouse belt de eigenaar ook nog een keer en warempel, twee dagen later hebben we onze iPad terug! Wat een geluk, en ook: wat een service! Het onderstreept maar eens hoe de bevolking hier is: zeer vriendelijk, behulpzaam en betrouwbaar.

    Zon, zee, boerka

    De inwoners van de Malediven zijn streng moslim, waardoor de eilandengroep geen doorsnee strandbestemming is. Zonnen is alleen toegestaan op de zogenaamde ‘bikini beaches’ (afgeschermd) en het is gewenst dat men zich in het openbaar fatsoenlijk kleedt. Uiteraard is het nuttigen of invoeren van alcohol streng verboden. Dit zijn belangrijke zaken om rekening mee te houden als je besluit om naar de lokale eilanden te gaan. Voor de resort-eilanden geldt dit overigens niet. We blijven het ‘zon-zee-strand’ van de Malediven en de vrouwen in zwarte boerka’s (zelfs kleine meisjes, hoe zielig!) een fascinerende combinatie vinden en ook vinden we het behoorlijk oneerlijk. Maldivische mannen zien er vaak überhip uit met hun lange, zwart krullende haar, gespiegelde surfzonnebril en felgekleurde enkelbandjes en zij mogen vreemd genoeg zonder T-shirt rondlopen. De vrouwen dragen een hoofddoek of zijn volledig bedekt en zwemmen doen ze met boerka en al. Een verrassing voor ons was dat deze vrouwen niet stil konden zitten bij het optreden van de lokale muziekvereniging, wat trouwens erg leuk was om mee te maken. De mannen werkten zich in het zweet op de trommels en de vrouwen waren gretig met dansen.

    Fulidhoo

    Het eiland Fulidhoo is vergeleken met Maafushi een stuk kleiner, nóg mooier en minder toeristisch. De kleurtinten van het water gaan van een soort transparant groen naar intens lichtblauw tot diep donkerblauw en alles daartussenin. Het eiland heeft spierwitte stranden en is weelderig begroeid met palmbomen, felgekleurde bloemen en joekels van mangrovebomen vol lianen en vleermuizen. Ook zie je overal krabbetjes rondscharrelen, vooral ’s avonds. Het lijkt wel een stranddans die ze uitvoeren. Sommigen lopen zelfs ‘helemaal’ naar de andere kant van het eiland. Bij de pier zwemmen grote roggen, veel groter dan degene die we op Maafushi hebben gezien. Het eiland barst van het natuurschoon. Jammer genoeg barst het ook van de muggen, het enige minpuntje.

    Met de eigenaar van het guesthouse en twee andere stelletjes maken we een prachtige snorkeltour met de boot. Onze twee grote wensen gaan in vervulling, want bij een prachtig rif midden op zee zien we een grote zeeschildpad waar we een hele tijd achteraan kunnen zwemmen en die we zelfs kunnen aanraken als hij omhoog komt om adem te halen. Op een ander punt, bij de pier van een resort-eiland, zien we van heel dichtbij een vijftal grote verpleegsterhaaien. Wat een indrukwekkende beesten. Wees gerust, ze zijn niet gevaarlijk.
    We leren ook een voor ons nieuw fenomeen kennen: free diving. Zoals het begrip al aangeeft betekent dit simpelweg: duiken zonder apparatuur. Je adem inhouden dus, maar dan door gebruik te maken van een bijzondere ademhalingstechniek. Hoe het precies werkt weten we niet, maar het vereist jaren van oefening. De Maldivische kinderen uit vissersdorpjes leren het van jongs af aan. We zien er tijdens de snorkeltoer een klein staaltje van. De snorkel van één van de deelnemers was naar beneden gezonken, ruim tien meter diep. Zonder al te veel moeite duikt één van de lokale gasten de snorkel weer op. Wauw!

    Topbestemming

    Tijd voor een eind aan dit verhaal. Niet makkelijk, want over de Malediven valt nog veel meer te vertellen. We hadden er gerust nog langer kunnen blijven maar dat stond ons budget niet toe. We zijn enorm blij dat we deze bestemming aan onze reis toegevoegd hebben. Een prachtig palmboomparadijs vol vriendelijke mensen, het blauwste water, de mooiste vissen en de witste stranden ooit én toegankelijk voor reizigers met een klein budget!