Maleisië

  • King of the bamboo

    King of the bamboo

    № 29 | Deel 5: Zuidoost-Azië

    Inmiddels hebben we ons eerste workaway-adres geregeld: een bamboeboerderij! In een comfortabele aircon touringcar koersen we door het groengeschakeerde Maleisische junglelandschap richting Lanchang, een pietepeuterig klein dorpje in de provincie Pahang, op 120 kilometer afstand van Kuala Lumpur. Lanchang is zelfs zó klein dat de bus er gewoon doorheen rijdt zonder dat we het doorhebben. Pas zo’n twintig kilometer verder, precies ter hoogte van een legerbasis in the middle of nowhere (vergeef ons het cliché, maar het was echt zo) komen we tot deze onprettige ontdekking. De buschauffeur kan het weinig schelen, maar de portier van de legerbasis gelukkig wel. Vlotjes regelt hij dat we met twee soldaten die net het terrein komen afrijden mee kunnen rijden naar Lanchang. Daar aangekomen bellen we onze toekomstige baas Adnan, die ons met tien minuutjes belooft op te pikken.

    Kennismaking

    Inderdaad stopt er na ruim tien minuten een rammelige, stoffige, ooit witte auto bij het bushokje. Het is ons direct duidelijk: dit is een echte boer. Adnan blijkt een vrolijke joviale kerel en zit vol met grappen. Voordat we naar de boerderij gaan, rijden we eerst langs de apotheek en de bank en daarna halen we een enorme lading boodschappen bij de supermarkt. Als een boer naar het dorp gaat is het natuurlijk niet om één dingetje.

    De bamboeboerderij ligt erg afgelegen en vooral het laatste stuk is behoorlijk hobbelen. Om ons heen liggen eindeloze hectares vol aangeplante bamboe. Hier en daar staan wat hoge palmyrapalmen en palmen voor de productie van palmolie (palmolie is wat in Maleisië het meest wordt geproduceerd). Ook zien we wat mango- en jackfruitbomen staan. Adnan is zo iemand die alles aanpakt en overal wel een handeltje in ziet. Adnan, zijn vrouw Mamuna en hun negenjarige zoontje Ezzry vormen een vrolijke, gezellige en hartelijke familie. Ze ontvangen graag vrijwilligers en hebben zelfs speciale huisjes voor ze gebouwd. Op hun boerderij is het hele jaar door werk. Het maakt Adnan weinig uit wát de vrijwilligers doen, als ze maar niet lui zijn en de hele dag in de hangmat liggen. Denk bij deze opmerking echter niet aan de Nederlandse arbeidersethos. Regelmatig komen we onze baas zélf tegen in, juist, de hangmat. Best begrijpelijk, want soms is het gewoon te heet om te werken.

    Muurtje metselen

    Vooral de eerste dagen zijn erg zwaar. We kunnen ons niet heugen ooit zoveel gezweet te hebben. Binnen no time zijn onze kleren tot op de naad doordrenkt. De eerste dagen zijn we vooral bezig met metselen. In de schaduw van ruisende bamboestruiken maken we het muurtje af waarmee Keitah, een Japanse vrijwilliger, begonnen is. Dit muurtje vormt de fundering voor een nieuw douche/toiletblok want Adnan is nog steeds bezig met uitbreiden. Het is het allereerste gemetselde muurtje in ons leven! Van Adrien en Quentin, twee andere workawayers uit Frankrijk, leren we hoe je mortel moet maken: één deel cement, twee delen zand en dan voorzichtig water erbij gieten en mengen maar. We krijgen er steeds meer handigheid en plezier in. Al is waterpas proberen te werken op een ongelijke ondergrond echt een ramp. Uiteindelijk zijn we vrij tevreden met ons muurtje, al vermoeden we wel dat een echte bouwvakker onmiddellijk de slappe lach zal krijgen.

    Boerderijleven

    De rest van de dagen repareren we door de regen weggeslagen beton, maken we zeepjes, fabriceren we liters komkommersap, timmeren we met behulp van rijst en spijkers een rainmaker van bamboe in elkaar, halen we lange bamboestammen uit de rivier en vegen we keer op keer op keer afgevallen bamboeblaadjes op hoopjes die we vervolgens met plezier aansteken om de ontelbare muggen te verdrijven. Ook zagen en splijten we enorme stapels bamboe en geven we de beesten te eten. En die beesten, dat zijn er een heleboel. Kippen, hanen, koeien, geiten, leguanen en heel, heel veel poezen. Jammer genoeg zijn de poezen stuk voor stuk vreselijk verkouden. Een vreemd en akelig geluid, zo’n niesende en snotterende kat. Het leukste vinden we de babygeitjes. Eentje, Keitah (vernoemd naar de Japanse workawayer) heeft flesvoeding nodig want zijn moeder geeft hem geen melk. Als een klein baby’tje loopt Keitah heel de dag mekkerend achter ons aan. Hoe vaak je hem ook de fles geeft, zo’n beest blijft hongerig en om aandacht smeken.

    De muggen zijn minder leuk. Al snel worden de muggenbulten tamelijk ontelbaar. De repellent helpt wel iets, maar is na een tijd toch weer uitgewerkt of eraf gezweet. Waarschijnlijk zijn wij, vreemdelingen, smakelijker dan de Maleisiërs want het lijkt dat zij er veel minder last van hebben.

    Respect

    Naast vrijwilligers heeft Adnan ook een aantal betaalde krachten. Twee daarvan, Pi en Fardiz, zijn een soort mede-eigenaar en runnen samen met hem de hele onderneming. De anderen komen uit de buurlanden en doen het zwaardere werk (lees: bamboe kappen). Eentje komt er uit Myanmar en de andere uit Indonesië. In Maleisië kunnen ze veel meer verdienen dan in hun thuisland en zijn de werkomstandigheden stukken beter. We hebben veel respect voor ze, want de hele dag door zijn ze met enorme kapmessen in de weer. We doen het ze niet na.

    Wie ook respect verdienen zijn Adrien en Quentin, want wat zij in de week die we met hen optrekken voor elkaar krijgen is ongelofelijk. Adrien is een echte vakman en weet ontzettend veel van diverse bouwstijlen. Samen zijn ze van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bezig met het maken van frames voor een groot bamboebouwwerk, waarvan de betonnen fundering al staat. Die hebben ze gemaakt in de week voordat wij er waren. Nu willen ze proberen om in ieder geval het structuurwerk van het bamboehuis af te krijgen. Elk stuk bamboe wordt door middel van ‘keywood’ aan elkaar verbonden. Er komt geen enkel schroefje of spijker aan te pas!

    King of the bamboo

    Quentin zorgt daarnaast ook voor de muziek, die hij via zijn smartphone laat afspelen op de stereo-installatie. Heerlijke klanken reggae, jazz, lounge en hiphop drijven onder het werken voorbij. Het liedje “King of the bongo” van Manu Chao zal in onze herinnering voortaan blijven voortbestaan als “King of the bamboo”. Een fantastische woordspeling van Quentin want het is dé perfecte bijnaam voor Adnan! Hij mag werkelijk de koning van de bamboe genoemd worden. Zijn bamboeboerderij schijnt de grootste van heel Maleisië te zijn, en hij is al diverse keren op televisie geweest. Adnan kan zeer gepasssioneerd over de vele mogelijkheden en producten van bamboe vertellen. Zo exporteert hij zijn bamboe niet alleen, maar maakt hij er ook houtskool van en ligt zijn eetbare bamboe in de lokale supermarkt. En in de Botanical Gardens van Kuala Lumpur staan bamboehuisjes die hij gebouwd heeft.

    Samen eten

    De avondmaaltijden eten we gezamenlijk onder de overkapping in de buitenlucht. Mamuna, Adnan’s vrouw, kan verrukkelijk Maleis koken. De meest heerlijke kip- en visgerechten komen op tafel, alsook rijst gekookt in kokosmelk of gestoomd in bamboe of palmbladeren. En natuurlijk staan er altijd kecap (ketjap), zoete sos cili (chilisaus) en hete Vietnamese rode pepertjes op tafel. Heerlijk! Alleen de sotong (inktvis), erg populair in Maleisië, laten we staan. Iets te rubberachtig voor ons.

    Een grote verantwoordelijkheid

    De laatste vijf dagen dat we bij Adnan zijn, hebben we het rijk (lees: de hele boerderij) voor ons alleen. Vanwege Hari Raya (het Suikerfeest) is Adnan met zijn gezin naar zijn geboortedorp vertrokken, helemaal in het noorden tegen de grens met Thailand. Adnan was liever thuis gebleven, maar omdat er een familielid ernstig ziek is hebben ze geen keus. Fardiz is eveneens bij familie en Pi is elke dag druk met komkommers oogsten en verkopen op de markt. Hij houdt wel een oogje in het zeil en zorgt ervoor dat de geiten en koeien te eten krijgen, maar het aanwezig zijn op de boerderij en de andere dieren voeren—dat is onze taak. We vinden het erg bijzonder dat Adnan ons dit alles toevertrouwt. Gelukkig gaat alles goed, behalve dan dat Mina, een ander geitje, om een mysterieuze reden doodgaat. Hij krijgt genoeg voedsel maar waarschijnlijk is zijn bizarre gewoonte om cement(!) te eten hem fataal geworden. Of misschien is hij wel gebeten door een giftige slang. We komen er niet achter.

    Afscheid

    Na twee weken hard werken overdag en ’s avonds luieren in de hangmat, nemen we afscheid van Adnan, Mamuna, Ezzry en hun boerderij. Het was een bijzondere, leerzame en unieke ervaring die we niet hadden willen missen!

  • Satay, chilisaus, putu bambu en eten op de ramadanmarkt

    Satay, chilisaus, putu bambu en eten op de ramadanmarkt

    № 28 | Deel 5: Zuidoost-Azië

    Het onvolprezen couchsurfing brengt ons bij Hairuddin, een aardige hoogleraar die woonachtig is in een buitenwijk van Kuala Lumpur. Gelukkig is zijn huis goed bereikbaar met de metro. Hairuddin is een drukbezet man, wat betekent dat er weinig tijd is om elkaar te leren kennen. Maar we zijn hem dankbaar voor de fijne kamer met tweepersoonsbed inclusief badkamer. Soms kan zoiets echt even voelen als thuiskomen.

    Satay en chilisaus

    Natuurljk eten we satay, in Nederland beter bekend als satéstokjes, maar dan lekkerder. Onze favoriete variant vinden we op de befaamde night market in Chinatown. Werkelijk alles valt hier te krijgen. Wat een geweldig concept is dat toch, die straatmarkt. Eten waar je zin in hebt en zoveel je wilt want duur is het nooit. Vers voor je neus gebakken, gegrild, gefrituurd, gekookt—wat dan ook. We ruiken, proeven, staren, struinen rond en beseffen: nu zijn we echt in Azië. In Maleisië, om precies te zijn. Land van tropische jungles, zonnige stranden en overheerlijk eten. En raad eens wat hier in de schappen van de supermarkt in overvloed te vinden valt? Inderdaad. Nimmer heeft Joost Jan zoveel soorten en maten chilisaus bij elkaar gezien. Zelfs jerrycans van vijf liter zijn hier te koop!

    Putu bambu

    Het volgende gerechtje zou je echt eens moeten proeven: putu bambu. Dit is groene rijstcake, gebakken in bamboe en op smaak gebracht met kokos en suiker. Net als de satéstokjes eten we het bijna dagelijks. En zo zijn er nog andere verrassende culinaire ontdekkingen. Ons lijstje met favoriete gerechten wordt—hoe verder we reizen—langer en langer.

    Eten op de ramadanmarkt

    Tot slot nog iets over de ramadanmarkt. Min of meer toevallig komen we op deze bijzondere markt terecht. We ontdekken de bazaar ramadhan in de traditionele Maleise volkswijk Kampong Bharu. Het blijkt een enorme markt vol eetkraampjes te zijn. Tientallen stalletjes met Maleisische favorieten als nasi lemak, ayam goreng en roti john, maar ook seafood en zelfs broodjes kebab met zoete chilisaus en mayonaise worden er verkocht. Al snel blijkt dat wij de enigen zijn die de gekochte eetwaar direct opeten. Oeps. Het is heel druk op de markt en er wordt ontzettend veel verkocht, maar gegeten wordt er niet. Alles gaat in zakken of tasjes en wordt meegenomen naar huis. Ach natuurlijk! Maleisië is een streng moslimland en de ramadan is op dit moment nog niet voorbij. We herinneren ons ineens weer die eerste avond in Kuala Lumpur, toen we in een food court op het gigantische trein-, metro- en busstation KL Sentral een broodje aten. Ook toen vonden we het al zo vreemd dat de mensen om ons heen hun bestelde eten massaal koud lieten worden. Nu snappen we het ineens. Slim om dan juist nu zo’n grote markt vol eetkraampjes op te zetten. Wel krijgen we een beetje medelijden met de verkopers. Je zou maar heel de dag op de markt staan koken, bakken en grillen en aan het vasten tegelijkertijd. Dat maak het nu niet bepaald makkelijker!