G. en Joost Jan in Verweggistan

  • King of the bamboo

    King of the bamboo

    № 29 | Deel 5: Zuidoost-Azië

    Inmiddels hebben we ons eerste workaway-adres geregeld: een bamboeboerderij! In een comfortabele aircon touringcar koersen we door het groengeschakeerde Maleisische junglelandschap richting Lanchang, een pietepeuterig klein dorpje in de provincie Pahang, op 120 kilometer afstand van Kuala Lumpur. Lanchang is zelfs zó klein dat de bus er gewoon doorheen rijdt zonder dat we het doorhebben. Pas zo’n twintig kilometer verder, precies ter hoogte van een legerbasis in the middle of nowhere (vergeef ons het cliché, maar het was echt zo) komen we tot deze onprettige ontdekking. De buschauffeur kan het weinig schelen, maar de portier van de legerbasis gelukkig wel. Vlotjes regelt hij dat we met twee soldaten die net het terrein komen afrijden mee kunnen rijden naar Lanchang. Daar aangekomen bellen we onze toekomstige baas Adnan, die ons met tien minuutjes belooft op te pikken.

    Kennismaking

    Inderdaad stopt er na ruim tien minuten een rammelige, stoffige, ooit witte auto bij het bushokje. Het is ons direct duidelijk: dit is een echte boer. Adnan blijkt een vrolijke joviale kerel en zit vol met grappen. Voordat we naar de boerderij gaan, rijden we eerst langs de apotheek en de bank en daarna halen we een enorme lading boodschappen bij de supermarkt. Als een boer naar het dorp gaat is het natuurlijk niet om één dingetje.

    De bamboeboerderij ligt erg afgelegen en vooral het laatste stuk is behoorlijk hobbelen. Om ons heen liggen eindeloze hectares vol aangeplante bamboe. Hier en daar staan wat hoge palmyrapalmen en palmen voor de productie van palmolie (palmolie is wat in Maleisië het meest wordt geproduceerd). Ook zien we wat mango- en jackfruitbomen staan. Adnan is zo iemand die alles aanpakt en overal wel een handeltje in ziet. Adnan, zijn vrouw Mamuna en hun negenjarige zoontje Ezzry vormen een vrolijke, gezellige en hartelijke familie. Ze ontvangen graag vrijwilligers en hebben zelfs speciale huisjes voor ze gebouwd. Op hun boerderij is het hele jaar door werk. Het maakt Adnan weinig uit wát de vrijwilligers doen, als ze maar niet lui zijn en de hele dag in de hangmat liggen. Denk bij deze opmerking echter niet aan de Nederlandse arbeidersethos. Regelmatig komen we onze baas zélf tegen in, juist, de hangmat. Best begrijpelijk, want soms is het gewoon te heet om te werken.

    Muurtje metselen

    Vooral de eerste dagen zijn erg zwaar. We kunnen ons niet heugen ooit zoveel gezweet te hebben. Binnen no time zijn onze kleren tot op de naad doordrenkt. De eerste dagen zijn we vooral bezig met metselen. In de schaduw van ruisende bamboestruiken maken we het muurtje af waarmee Keitah, een Japanse vrijwilliger, begonnen is. Dit muurtje vormt de fundering voor een nieuw douche/toiletblok want Adnan is nog steeds bezig met uitbreiden. Het is het allereerste gemetselde muurtje in ons leven! Van Adrien en Quentin, twee andere workawayers uit Frankrijk, leren we hoe je mortel moet maken: één deel cement, twee delen zand en dan voorzichtig water erbij gieten en mengen maar. We krijgen er steeds meer handigheid en plezier in. Al is waterpas proberen te werken op een ongelijke ondergrond echt een ramp. Uiteindelijk zijn we vrij tevreden met ons muurtje, al vermoeden we wel dat een echte bouwvakker onmiddellijk de slappe lach zal krijgen.

    Boerderijleven

    De rest van de dagen repareren we door de regen weggeslagen beton, maken we zeepjes, fabriceren we liters komkommersap, timmeren we met behulp van rijst en spijkers een rainmaker van bamboe in elkaar, halen we lange bamboestammen uit de rivier en vegen we keer op keer op keer afgevallen bamboeblaadjes op hoopjes die we vervolgens met plezier aansteken om de ontelbare muggen te verdrijven. Ook zagen en splijten we enorme stapels bamboe en geven we de beesten te eten. En die beesten, dat zijn er een heleboel. Kippen, hanen, koeien, geiten, leguanen en heel, heel veel poezen. Jammer genoeg zijn de poezen stuk voor stuk vreselijk verkouden. Een vreemd en akelig geluid, zo’n niesende en snotterende kat. Het leukste vinden we de babygeitjes. Eentje, Keitah (vernoemd naar de Japanse workawayer) heeft flesvoeding nodig want zijn moeder geeft hem geen melk. Als een klein baby’tje loopt Keitah heel de dag mekkerend achter ons aan. Hoe vaak je hem ook de fles geeft, zo’n beest blijft hongerig en om aandacht smeken.

    De muggen zijn minder leuk. Al snel worden de muggenbulten tamelijk ontelbaar. De repellent helpt wel iets, maar is na een tijd toch weer uitgewerkt of eraf gezweet. Waarschijnlijk zijn wij, vreemdelingen, smakelijker dan de Maleisiërs want het lijkt dat zij er veel minder last van hebben.

    Respect

    Naast vrijwilligers heeft Adnan ook een aantal betaalde krachten. Twee daarvan, Pi en Fardiz, zijn een soort mede-eigenaar en runnen samen met hem de hele onderneming. De anderen komen uit de buurlanden en doen het zwaardere werk (lees: bamboe kappen). Eentje komt er uit Myanmar en de andere uit Indonesië. In Maleisië kunnen ze veel meer verdienen dan in hun thuisland en zijn de werkomstandigheden stukken beter. We hebben veel respect voor ze, want de hele dag door zijn ze met enorme kapmessen in de weer. We doen het ze niet na.

    Wie ook respect verdienen zijn Adrien en Quentin, want wat zij in de week die we met hen optrekken voor elkaar krijgen is ongelofelijk. Adrien is een echte vakman en weet ontzettend veel van diverse bouwstijlen. Samen zijn ze van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bezig met het maken van frames voor een groot bamboebouwwerk, waarvan de betonnen fundering al staat. Die hebben ze gemaakt in de week voordat wij er waren. Nu willen ze proberen om in ieder geval het structuurwerk van het bamboehuis af te krijgen. Elk stuk bamboe wordt door middel van ‘keywood’ aan elkaar verbonden. Er komt geen enkel schroefje of spijker aan te pas!

    King of the bamboo

    Quentin zorgt daarnaast ook voor de muziek, die hij via zijn smartphone laat afspelen op de stereo-installatie. Heerlijke klanken reggae, jazz, lounge en hiphop drijven onder het werken voorbij. Het liedje “King of the bongo” van Manu Chao zal in onze herinnering voortaan blijven voortbestaan als “King of the bamboo”. Een fantastische woordspeling van Quentin want het is dé perfecte bijnaam voor Adnan! Hij mag werkelijk de koning van de bamboe genoemd worden. Zijn bamboeboerderij schijnt de grootste van heel Maleisië te zijn, en hij is al diverse keren op televisie geweest. Adnan kan zeer gepasssioneerd over de vele mogelijkheden en producten van bamboe vertellen. Zo exporteert hij zijn bamboe niet alleen, maar maakt hij er ook houtskool van en ligt zijn eetbare bamboe in de lokale supermarkt. En in de Botanical Gardens van Kuala Lumpur staan bamboehuisjes die hij gebouwd heeft.

    Samen eten

    De avondmaaltijden eten we gezamenlijk onder de overkapping in de buitenlucht. Mamuna, Adnan’s vrouw, kan verrukkelijk Maleis koken. De meest heerlijke kip- en visgerechten komen op tafel, alsook rijst gekookt in kokosmelk of gestoomd in bamboe of palmbladeren. En natuurlijk staan er altijd kecap (ketjap), zoete sos cili (chilisaus) en hete Vietnamese rode pepertjes op tafel. Heerlijk! Alleen de sotong (inktvis), erg populair in Maleisië, laten we staan. Iets te rubberachtig voor ons.

    Een grote verantwoordelijkheid

    De laatste vijf dagen dat we bij Adnan zijn, hebben we het rijk (lees: de hele boerderij) voor ons alleen. Vanwege Hari Raya (het Suikerfeest) is Adnan met zijn gezin naar zijn geboortedorp vertrokken, helemaal in het noorden tegen de grens met Thailand. Adnan was liever thuis gebleven, maar omdat er een familielid ernstig ziek is hebben ze geen keus. Fardiz is eveneens bij familie en Pi is elke dag druk met komkommers oogsten en verkopen op de markt. Hij houdt wel een oogje in het zeil en zorgt ervoor dat de geiten en koeien te eten krijgen, maar het aanwezig zijn op de boerderij en de andere dieren voeren—dat is onze taak. We vinden het erg bijzonder dat Adnan ons dit alles toevertrouwt. Gelukkig gaat alles goed, behalve dan dat Mina, een ander geitje, om een mysterieuze reden doodgaat. Hij krijgt genoeg voedsel maar waarschijnlijk is zijn bizarre gewoonte om cement(!) te eten hem fataal geworden. Of misschien is hij wel gebeten door een giftige slang. We komen er niet achter.

    Afscheid

    Na twee weken hard werken overdag en ’s avonds luieren in de hangmat, nemen we afscheid van Adnan, Mamuna, Ezzry en hun boerderij. Het was een bijzondere, leerzame en unieke ervaring die we niet hadden willen missen!

  • Satay, chilisaus, putu bambu en eten op de ramadanmarkt

    Satay, chilisaus, putu bambu en eten op de ramadanmarkt

    № 28 | Deel 5: Zuidoost-Azië

    Het onvolprezen couchsurfing brengt ons bij Hairuddin, een aardige hoogleraar die woonachtig is in een buitenwijk van Kuala Lumpur. Gelukkig is zijn huis goed bereikbaar met de metro. Hairuddin is een drukbezet man, wat betekent dat er weinig tijd is om elkaar te leren kennen. Maar we zijn hem dankbaar voor de fijne kamer met tweepersoonsbed inclusief badkamer. Soms kan zoiets echt even voelen als thuiskomen.

    Satay en chilisaus

    Natuurljk eten we satay, in Nederland beter bekend als satéstokjes, maar dan lekkerder. Onze favoriete variant vinden we op de befaamde night market in Chinatown. Werkelijk alles valt hier te krijgen. Wat een geweldig concept is dat toch, die straatmarkt. Eten waar je zin in hebt en zoveel je wilt want duur is het nooit. Vers voor je neus gebakken, gegrild, gefrituurd, gekookt—wat dan ook. We ruiken, proeven, staren, struinen rond en beseffen: nu zijn we echt in Azië. In Maleisië, om precies te zijn. Land van tropische jungles, zonnige stranden en overheerlijk eten. En raad eens wat hier in de schappen van de supermarkt in overvloed te vinden valt? Inderdaad. Nimmer heeft Joost Jan zoveel soorten en maten chilisaus bij elkaar gezien. Zelfs jerrycans van vijf liter zijn hier te koop!

    Putu bambu

    Het volgende gerechtje zou je echt eens moeten proeven: putu bambu. Dit is groene rijstcake, gebakken in bamboe en op smaak gebracht met kokos en suiker. Net als de satéstokjes eten we het bijna dagelijks. En zo zijn er nog andere verrassende culinaire ontdekkingen. Ons lijstje met favoriete gerechten wordt—hoe verder we reizen—langer en langer.

    Eten op de ramadanmarkt

    Tot slot nog iets over de ramadanmarkt. Min of meer toevallig komen we op deze bijzondere markt terecht. We ontdekken de bazaar ramadhan in de traditionele Maleise volkswijk Kampong Bharu. Het blijkt een enorme markt vol eetkraampjes te zijn. Tientallen stalletjes met Maleisische favorieten als nasi lemak, ayam goreng en roti john, maar ook seafood en zelfs broodjes kebab met zoete chilisaus en mayonaise worden er verkocht. Al snel blijkt dat wij de enigen zijn die de gekochte eetwaar direct opeten. Oeps. Het is heel druk op de markt en er wordt ontzettend veel verkocht, maar gegeten wordt er niet. Alles gaat in zakken of tasjes en wordt meegenomen naar huis. Ach natuurlijk! Maleisië is een streng moslimland en de ramadan is op dit moment nog niet voorbij. We herinneren ons ineens weer die eerste avond in Kuala Lumpur, toen we in een food court op het gigantische trein-, metro- en busstation KL Sentral een broodje aten. Ook toen vonden we het al zo vreemd dat de mensen om ons heen hun bestelde eten massaal koud lieten worden. Nu snappen we het ineens. Slim om dan juist nu zo’n grote markt vol eetkraampjes op te zetten. Wel krijgen we een beetje medelijden met de verkopers. Je zou maar heel de dag op de markt staan koken, bakken en grillen en aan het vasten tegelijkertijd. Dat maak het nu niet bepaald makkelijker!

  • Een onvergetelijke rondreis door de parel van de Indische Oceaan

    Een onvergetelijke rondreis door de parel van de Indische Oceaan

    № 27 | Deel 4: Zuid-Azië

    Woest klappen de hoge golven stuk op het komvormige strand van Arugam Bay. Het plaatsje ligt in het afgelegen zuidoostelijke puntje van Sri Lanka en staat bekend als een waar surferswalhalla. De golven zijn hier niet zo majestueus als op Hawaii, maar uitdagend genoeg om surf dudes vanuit de hele wereld aan te trekken. Het is een genot om naar de stunts van deze gasten te kijken.

    De plek waar we verblijven is het sfeervolle Ranga’s Beach Hut, een fenomeen onder surfers en backpackers. Arugam Bay, wat op zichzelf niet zoveel voorstelt, is helemaal ingericht op de doelgroep: winkeltjes die sunscreen van Australian Gold en surfshorts van Billabong verkopen, surfboardverhuurders waar je ook kijkt en eettentjes met slogans als: ‘eat, surf, sleep’ en: ‘hungry surfers breakfast’. Die laatste hebben we geprobeerd en met enige zekerheid kunnen we stellen dat een hongerige golvenbedwinger hier echt geen genoeg aan heeft. De bananenroti’s smaken echter heerlijk, evenals de chicken fried rice.

    Arugam Bay vormt bijna het eindpunt van onze rondreis kriskras over dit traanvormige eiland. Een eiland wat zich laat kennen als boeiend en gevarieerd in vele opzichten. Of het nu gaat om natuur, taal, religie of bouwstijl, overal is het anders. Er zijn groene heuvels vol theeplantages, watervallen, bergen, stranden, rijstvelden, jungle, talloze natuurparken, en heel, heel veel tempels. Een eiland vol kleuren, geuren, kruiden en geluiden. Niet voor niets is de betekenis van ‘Lanka’: schitterend eiland. We snappen nu waarom.

    Opgelicht

    Onze vierweekse reis door voormalig Ceylon begint in het niet bijster aantrekkelijke kustplaatsje Negombo, wat op zo’n 20 kilometer van Colombo International Airport ligt in het zuidwesten van het eiland. Colombo zelf ligt nog een stukje verder van het vliegveld vandaan en is druk en chaotisch. Dat kan zijn bekoring hebben maar liever kiezen we voor de wat rustigere plaatsen. Grote steden zullen we op onze reis nog meer dan genoeg gaan zien.

    Helaas hebben we in Negombo een vervelende ervaring. We worden er door een sluw, oud mannetje op een laaghartige manier opgelicht. Wat begint als een ogenschijnlijk ‘spontaan’ gesprek loopt uit op een soort wisseltruc. Wij, twee naïevelingen die inmiddels aan de onbaatzuchtige vriendelijkheid van de Iraniërs, Centraal-Aziaten en de Maldiviërs gewend zijn geraakt, gaan volkomen mee in de belangstellende vragen van de man, die zichzelf Derek noemt. Ja, we zijn nog maar net in Sri Lanka, dat klopt. Gisteren geland. Waar we slapen? Barracuda Beach Hostel. Waar we vandaan komen? Uit Nederland. Wat grappig, laat hij daar nou net familie hebben wonen! Of we trouwens geen last van muggen hebben? Ja, wel een beetje. Geen nood, hij heeft een oplossing. Hij laat ons zijn arm zien waar een soort balsem op zit met citroengeur. Derek weet wel een winkel waar ze dat goedje verkopen. Vijf meter voor het bewuste winkeltje vraagt hij aan G. of ze op zijn fiets wil passen. Daarna loopt hij verder met mij en vraagt buiten de winkel om geld waarmee hij het potje kan kopen. Ik mag niet mee naar binnen want anders krijgt hij niet de speciale ‘Sri Lankan price’. Als hij terugkomt met het potje en ons wisselgeld blijkt dat we veel meer terug moeten krijgen, maar voor we dit doorhebben is de gluiperd verdwenen op zijn fietsje. Wij blijven achter mét potje maar 5000 roepees—30 euro—lichter. O, wat zijn we kwaad! Na onze woede volgt berusting en uiteindelijk de relativering. Niets meer aan te doen en vreselijk stom dat we niet beter opgelet hebben. Hopelijk geniet hij er van!

    Het blijkt al snel dat Derek een uitzondering is. De meeste mensen die we tegenkomen zijn oprecht vriendelijk, behulpzaam en vooral vreselijk nieuwsgierig. “Hello sir! Hello ma’m! Where are you going? Need tuktuk?” Soms is het een uitdaging om alle voorstellen op beleefde, vriendelijke wijze te beantwoorden of af te slaan want elke dag krijgen we ze bij bosjes opnieuw. Leuk is om dezelfde vraag terug te stellen. Verbaasde gezichten zijn het gevolg, en soms een bijna verontwaardigd antwoord. Waar ik vandaan kom? Uit Sri Lanka natuurlijk! Wat dacht je dan?

    Met de bus

    Op advies van de hosteleigenaar in Negombo besluiten we om eerst naar het noorden en oosten te gaan. De cycloon Roanu, die in Sri Lanka landverschuivingen veroorzaakt heeft met doden, vermisten en grote schade tot gevolg, hebben we gelukkig op een haartje na gemist, maar in het zuiden is wel veel regen. Ons besluit is snel gemaakt: eerst naar het historische Anuradhapura en dan naar Jaffna, hoofdstad van de Tamils in het droge noorden. Sinds 2009 is de burgeroorlog officieel beëindigd en het reizen naar Noord-Sri Lanka veilig. Later horen we dat er nog steeds veel spanning en grote ontevredenheid heerst, maar dat dit nu politiek wordt uitgevochten. Een autonoom gebied, de wens van veel Tamils, lijkt verder weg dan ooit.

    Goedkoop reizen in Sri Lanka betekent: de bus. Snel gaat het niet, want om de haverklap vliegt de chauffeur in de remmen omdat het stikt van de bushaltes. En vol, dat bestaat—ook hier—natuurlijk niet. Proppen en zweten is het devies. Alleraardigst is wel dat men, net als in Bangladesh, de ‘wandelende economie’ kent: verkopers die van voor naar achter de bus door sjouwen, onderwijl luid hun waren aanprijzend. Waar kan dat nou nog: in de bus een softijsje kopen? In het staccato klinkende en onvoorstelbaar snel uitgesproken Singalees worden water, ijsjes, frisdrank, geroosterde pinda’s, fruit, broodjes en nog een hele hoop voor ons volstrekt onbekende producten aan de man gebracht. Ook wordt er volop op de stimulerende betelnoot gekauwd, wat later weer wordt uitgespuugd. De Pakistan-, Bangladesh- en Indiareiziger zal dit zeker bekend voorkomen. Je kunt van reizen per bus in Sri Lanka zeggen wat je wilt, een avontuur is het zeker. Van binnen rijkelijk versierd met slingers, gordijntjes, belletjes, hindoe- of boeddhabeeldjes, en aan de buitenkant niet zelden prachtig gepaintbrusht. Een kaartje is extreem goedkoop: tussen de 100 en 300 rupees—omgerekend meestal nog geen euro. Met de bus gaan is hier misschien wél onverstandig als je niet tegen wierook, hitte, binnenwaaiend stof of zweetlucht kunt, of wanneer je het lastig vindt om je over te geven aan de rijkunsten (letterlijk!) van de buschauffeur. Het zijn namelijk heuse kunststukjes die ze uitvoeren met hun stuurwiel, zo nu en dan een erg riskante, zo niet levensgevaarlijke verkeerssituatie veroorzakend. Niemand kijkt er echter van op. We begrijpen nu wel beter waarom er tot al die goden geofferd en gebeden moet worden voor vertrek.

    Anuradhapura

    De bus brengt ons in een uurtje of vier via een overstap in Kurunegala naar Anuradhapura, wat in zijn geheel op de werelderfgoedlijst staat. Betalen voor de UNESCO sites doen we niet want dat vinden we veel te duur. Het zal een terugkerend refrein gaan worden. Sri Lanka is berucht voor ’tourist pricing’, het fenomeen dat toeristen onredelijk veel meer moeten betalen dan locals. We voelen er weinig voor om daaraan mee te werken, al hebben we hierop een paar uitzonderingen gemaakt. Dit is er geen van, wat de reisgidsen ook zeggen. Hoewel de oeroude pagoda’s en stoepa’s van Anuradhapura er op foto’s prachtig uitzien, hebben we er toch niet zoveel mee. Helemaal overslaan doen we de stoepa’s echter ook niet. We maken een mooie wandeling langs de enkelen die gratis zijn, compleet met apen, tropische vogeltjes en monniken. De overnachting in het nabijgelegen Coconut Park is het vermelden waard: erg basic maar schitterend gelegen tussen de rijstterrassen. Zelden hebben we in zo’n rustieke omgeving overnacht als daar en zelden hebben we zo’n mooie zonsondergang gezien.

    Jaffna

    Het traject naar Jaffna doen we per trein. Het gaat een beetje hobbel-de-bobbel (wie heeft die spoorlijn aangelegd?) maar het reist een stuk sneller en comfortabeler dan de bus. Rond het middaguur bereiken we het snikhete Jaffna. Volgens onze ingesleten gewoonte lopen we met behulp van Maps.me foutloos naar Theresa Inn, een guesthouse dat goed aangeschreven staat in de LP. Ze hebben nog plek, en die plek blijkt een ietwat muffige maar spotgoedkope tweepersoonskamer te zijn. Bedompt en een ventilator in plaats van airco maar ach—het maakt ons weinig uit. Eigenlijk hadden we met ons krappe budget verwacht om steeds in slaapzalen terecht te komen maar omdat de prijzen voor tweepersoonskamers in Sri Lanka zeer redelijk zijn (en dorms nauwelijks aanwezig) is dit niet eens nodig. Gedurende de hele maand in Sri Lanka slapen we op tweepersoonskamers van tussen de vijf en hoogstens vijftien euro per nacht! Goedkoper dan gedacht en een onverwachte luxe.

    Het geluid begint zomaar. We hangen wat rond op de binnenplaats van Theresa Inn en genieten net van de middagstilte die zo kenmerkend is voor de tropen, als er een vreemdsoortige muziek ons gehoor binnendringt, treurig jengelend. Een B-muzikant met liefdesverdriet misschien? Navraag leert dat het om een hindoe-begrafenis gaat. Een tragisch geval van een nog jong, ongetrouwd meisje dat zelfmoord heeft gepleegd. De cijfers van zelfdoding zijn schrikbarend hoog in Sri Lanka. Het grijpt ons aan. De sombere, doedelzak-achtige tonen gaan nog uren door.

    In Jaffna leren we een nieuw gerecht kennen: dosa’s. Het zijn flinterdunne, knapperige pannenkoeken geserveerd met drie soorten kruidige curry’s. Het gerecht wordt met name gegeten in Zuid-India en Noord-Sri Lanka. G. wil niets liever meer. Dit nieuwe gerecht brengt ons op het lumineuze idee om een nieuw lijstje bij te gaan houden. Na het budgetlijstje waar we onze dagelijkse uitgaven exact in bijhouden hebben we nu het favoriete gerechtenlijstje. Vraag ons er maar naar als we terug zijn.

    En dan stappen we ineens weer een dagje op de fiets. Wat vreemd vertrouwd! Theresa Inn heeft fietsen te huur en je begrijpt dat het geen optie is om als Hollander die kans niet aan te grijpen. Jaffna lijkt voor fietsen gemaakt. Het is nog geen Nederland maar over het algemeen zijn de straten rustig en—ook niet onbelangrijk—schaduwrijk door de vele overhangende bomen. In rustig tempo pendelen we door de stad. De overblijfselen van het Nederlandse fort kunnen we uiteraard niet overslaan maar ook het wat verloederde havengebied is de moeite waard. Fietsen door deze straatjes geeft een uniek inkijkje in het leven van de beduidend armere vissersbevolking. Blote kindertjes onder een tuinslang die je aanstaren alsof ze nog nooit een blanke hebben gezien (wat waarschijnlijk ook zo is), overal verse (en minder verse) vis op straat, open vuurtjes en oude mannetjes druk bezig met het repareren van hun visnetten. Op de terugweg naar ons guesthouse beleven we een hachelijk moment want we fietsen bijna over een enorme goudgele slang heen die ineens de weg op kronkelt. Eén van de vele exotische dieren die we in Sri Lanka te zien krijgen.

    Nilaveli

    Onderweg naar de volgende bestemming, Nilaveli aan de oostkust, zien we de mijnopruimingsdienst bezig. Er schijnen er nog een hoop te liggen. We doorkruisen het lege noordoosten, dat vol staat met prachtige palmyrapalmen die hoog de hemel in rijzen. Gaandeweg raakt de bus steeds voller en op het moment dat we denken dat er echt niemand meer bij kan wordt er bij een volgende bushalte nog een halve klas schoolkinderen in het overvolle gangpad gefrommeld. Het is ongelofelijk maar in Sri Lanka kan het. Toch hebben we geen hekel aan de bus. Wil je iets van de cultuur meemaken dan is de bus bijna een vereiste, zeker in een land als Sri Lanka.

    Nilaveli is geweldig. Witte stranden, een kalme zee, een hechte gemeenschap van vissersfamilies—voornamelijk moslim—en enkele accommodaties voor toeristen, dat is het. Nauwelijks is meer te zien dat deze streek een gigantische klap heeft gehad door de tsunami in 2004. Nazir, een vriendelijke oude visser met wie we op een vroege ochtend de zee op gaan om dolfijnen te spotten, vertelt erover. Zevenentwintig mensen zijn er verdronken op de plek waar hij op dat moment was. Een heel aantal hebben hij en anderen gelukkig kunnen redden. We proberen ons iets voor te stellen bij de vloedgolf en de massale vernietiging maar dat lukt niet. Wat een leed moet deze man, en al deze mensen hier aan de kust, doorstaan hebben. Zoveel verloren. Dierbaren, inkomen, bezit. De zee waar we zwemmen en het witte strand lijken zo vredig. Vissers zijn gezamenlijk bezig een enorm sleepnet op de kant te krijgen, palmen wuiven, de zon brandt. Wat kan zo’n aanblik toch huiveringwekkend bedrieglijk zijn.

    In Nilaveli Palmhouse leren we een maf Schots-Australisch stel kennen dat gepensioneerd is en aan hun tweede leven lijkt te zijn begonnen. Net als ons zijn ze op wereldreis maar dan de andere kant op. ‘Ergens in november’ hebben ze een bruiloft in Schotland, voor de rest maakt het ‘waar’ en ‘hoelang’ hen weinig uit. De echte reizigersmentaliteit dus. Heerlijk! We proberen gezamenlijk vanuit het nabijgelegen Trinco (Trincomalee) een walvistoer te regelen met een marineboot die is uitgerust met sonar maar helaas zijn er te weinig aanmeldingen. Een kleine teleurstelling, want Sri Lanka is een absolute topbestemming voor het zien van de blauwe vinvis, het grootste dier ter wereld. Het mag niet zo zijn dus blijft de blauwe vinvis vooralsnog een droom.

    Olifanten

    Gelukkig wordt dit al snel vergoed door het zien van dat andere grote zoogdier: de olifant! We worden er plotsklaps door medepassagiers op gewezen als we twee weken later in de bus zitten van Siyambalanduwa naar Arugam Bay. Een wilde olifant komt kalm tevoorschijn uit het struikgewas en blijft rustig door grazen aan de wegkant. Op gepaste afstand passeren we het beest. De mensen in de bus zorgen er wel voor dat we het schouwspel niet missen, wat we erg lief vinden. Het is niet de eerste olifant die we zien in Sri Lanka maar wel de meest spontane ontmoeting.

    Een eerdere ontmoeting met de Aziatische olifant hebben we in het Hurulu Ecopark, vlakbij Habarana, ergens in het groene midden van het eiland. We krijgen een uitstekende gids toebedeeld voor een goede prijs. Dit soort safari’s zijn niet goedkoop en daarom mogen we voor $75 toch zeker niet klagen. We zien het eerste uur alleen felgekleurde vogeltjes, die ontzettend mooi zijn (vooral de groene bijeneter) maar niet ons primaire doel. We beginnen een beetje in onszelf te mopperen en te murmureren en ontevreden gedachten proberen een uitweg te zoeken. Hebben we hier nou voor betaald? Beschamend, want onze gids is echt een hele goeie en weet de olifanten toch te vinden. Meerdere groepen zien we, en bijna allemaal met jonkies. Schitterend! Je moet niet denken dat er met deze beesten te spotten valt trouwens. De gids vertelt een verdrietig verhaal over een buitenlandse toerist op de fiets die een selfie maakte met een wilde olifant en dat met haar leven moest bekopen. Olifanten kennen een hoge schattigheidsfactor maar het zijn geen knuffelbeesten…

    Natuurlijke rijkdom

    Hoe langer we door het land reizen, hoe meer we erachter komen dat Sri Lanka een bestemming is die eigenlijk alles heeft. Een natuurlijke rijkdom waar je u tegen zegt. Bloemen, planten, kruiden, specerijen… you name it. We krijgen er een kleine indruk van in één van de spice gardens rondom het prettige plaatsje Matale, waar we een gratis rondleiding krijgen door een student die een studie volgt op gebied van geneeskrachtige planten. We zien, proeven en ruiken tientallen bekende en onbekende kruiden en vruchten zoals kaneel, gember, kruidnagel, vanille en pepers en ik krijg zelfs een beetje plantaardige ontharingscrême op mijn hand gesmeerd. Dat spul werkt akelig goed!

    Kandy

    Na Matale komen we terecht in het beroemde Kandy. Cultuurliefhebbers mogen deze plek niet overslaan want hier, in het paleizencomplex dat ooit centrum was van het koninkrijk van Kandy, staat de ‘Temple of the Sacred Tooth Relic’, een belangrijke boeddhistische tempel waar een hoektand van boeddha zou liggen. We hebben er zelf niet zoveel mee en bezoeken liever de naastgelegen St. Paul’s kathedraal. Als we aan Kandy denken, dan denken we niet zozeer aan cultuur maar vooral aan Lady Gordon’s Homestay. Een ontzettend lief, gepensioneerd echtpaar dat nadat hun kinderen in het buitenland zijn gaan studeren het leuk vonden om een homestay te beginnen. En dat doen ze uitstekend! Niet vaak hebben we zo’n goeie verhouding in prijs/kwaliteit meegemaakt. De langharige poes Furby kan zelfs G. lichtelijk bekoren, en dat zegt wat. Met het ontbijt komen we in gesprek met de enige andere gast, een jonge Filippijnse vrouw die bij Artsen zonder Grenzen in Afghanistan werkt en gekozen heeft om haar R&R (rest and relaxation) in Sri Lanka door te brengen.

    Treinreis door de Hill Country

    Verreweg het indrukwekkendste landschap vinden we in de Hill Country. Dit hoger gelegen deel van Sri Lanka staat bekend om maar één ding: thee. We maken de treinreis die waarschijnlijk elke toerist in Sri Lanka maakt omdat dit één van de mooiste manieren is om de theeplukkers aan het werk te zien en de route je door een wirwar van tunnels langs watervallen, rotswanden en onbedorven jungle voert. Het wordt door diverse toonaangevende reisgidsen omschreven als één van de mooiste treinreizen ter wereld en hoewel dit een beetje prestigieus klinkt is het niet overdreven. Het gaat om de route tussen Kandy en Badulla. Het regenachtige, hooggelegen Nuwara Eliya is qua temperatuur en de Britse overblijfselen (waar de aanbevelingswaardige Lion’s Pub er één van is) een prettige afwisseling maar niet zoveel meer dan dat.

    Voor mensen met haast is de beste tussenstop op deze schilderachtige route zonder enige twijfel het lieflijke bergdorpje Ella. In Ella maken we een—voor ons doen—zware bergwandeling. Ondanks het niet nemen van de geadviseerde gids verdwalen we niet omdat we op een kritiek punt gelukkig andere wandelaars tegenkomen. Na anderhalf uur puffen en zweten worden we beloond met fabelachtig uitzicht en een hoop voldoening in eigen kunnen. Wat ook voldoening geeft, maar dan in onze buik, is het ontbijt bij Ella Adam’s View. Tropisch fruit, yoghurt, gevulde roti’s en vruchtensap, geweldig toch? Tel dat op bij het fantastische uitzicht vanuit de kamer, de vuurvliegjes, vlinders, eekhoorns en apen rondom het verblijf én een onverwachte upgrade van chalet naar deluxe room en je begrijpt dat Ella Adam’s View nu in onze accommodatie top 3 staat.

    Een heel andere ervaring hebben we bij budgethotel Habarana. Het is onze eerste en enige slechte ervaring wat betreft accommodaties. Heel slecht. In het kort komt het erop neer dat de eigenaar eist dat we hem dubbel betalen omdat hij geen geld zou hebben ontvangen. Van de creditcard-afschrijving die we hem tonen wordt hij niet warm of koud en hij bijt ons agressief toe dat wij een probleem hebben en niet hij. Krijg nou wat, zo bont hebben we het nog niet eerder meegemaakt! Gelukkig loopt het uiteindelijk goed af maar wel met ontzettend veel moeite.

    Tangalle en Galle

    Na Ella reizen we door naar het al beschreven Arugam Bay en vervolgens naar de zuidkust, waar we de laatste week doorbrengen. In Tangalle boeken we opnieuw een homestay, een vrijstaand huis in een lommerrijke, wat duurdere wijk aan de rand van de stad en op steenworp afstand van het strand. Galle staat uiteraard ook op het lijstje want we blijven Nederlanders. Deze plaats moet geschiedenisliefhebbers bekend in de oren klinken. Op deze strategische plek bevond zich een tijdlang het hoofdkwartier van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Heel even denken we op Urk rond te lopen, want het historische stadsdeel Galle Fort, waar ook ons hotelletje is, ziet er op en top Hollands uit. De Groote Kerk (Dutch Reformed Church), de vuurtoren, de koloniale gebouwen, de smalle straatjes… Zelfs de straatklinkers zijn hetzelfde. We laten ons vertellen dat de klinkers gesponsord zijn door ons vaderland. Vandaar.

    Aan alles komt een eind

    Een prachtige treinrit die ons pal langs de zee voert, brengt ons van Galle naar Colombo. Op veel plekken is de smalle strook land tussen het spoor en de zee compleet volgebouwd met krotten van afvalhout en golfplaat. Je zou er maar wonen.

    En toen kwam er, zoals er aan alles een eind komt, een eind aan onze rondreis door dit prachtige stukje wereld. We zijn erg onder de indruk geraakt van de schoonheid van Sri Lanka en haar vriendelijke bevolking (op een enkeling na dan). Mocht je ooit in vertwijfeling zijn waarheen je op vakantie wilt, twijfel dan niet langer. Ga naar Sri Lanka, je zult er geen spijt van krijgen.

    In Colombo pakken we de bus naar het vliegveld en daarna een tuktuk naar ons guesthouse in het iets verderop gelegen gehuchtje Andiambalama, want onze vlucht naar Kuala Lumpur vertrekt de volgende dag.

  • Picture perfect op klein budget

    Picture perfect op klein budget

    № 26 | Deel 4: Zuid-Azië

    Nee, we hebben niet ons spaargeld in één keer opgemaakt. Dit had makkelijk gekund, want verblijven op een luxueus Maldivisch resort-eiland kan je zomaar duizend euro per nacht kosten. Gelukkig kennen de Malediven ook genoeg betaalbare palmboomparadijsjes: de eilanden waarop de lokale bevolking woont. Twee hiervan hebben we bezocht. Vooral de laatste, Fulidhoo, was van een werkelijk verbluffende schoonheid.

    Toerisme-ontwikkeling

    Eerst even wat achtergrondinformatie. De Malediven bestaan uit zo’n 2000 eilanden, onderverdeeld in 26 atollen en verspreid over een enorm groot gebied. Het grootste eiland, Malé, meet slechts 5 km². De eilandengroep is gelegen in de Indische oceaan, ten zuidwesten van India en wordt doorkruist door de evenaar. Van alle eilanden zijn er maar 200 bewoond, plus nog zo’n 90 resort-eilanden. Waarschijnlijk zijn deze resorts, met rijen waterbungalows op palen, een infinity pool en kamerprijzen waar je voor drie maanden eten van kunt kopen, je eerste associatie met de Malediven. Een onbetaalbare, onbereikbare bestemming voor de gemiddelde mens. Dat dachten wij ook, totdat we ontdekten dat je wel degelijk voor een redelijk bedrag kunt eten en slapen op de Malediven. Sinds 2009 hebben verscheidene lokale eilanden namelijk toestemming gekregen om toeristen op hun eiland te verwelkomen, wat heeft geresulteerd in de opening van diverse guesthouses. Maafushi is in dit opzicht het bekendste en meest ontwikkelde eiland. Het ligt relatief dichtbij het hoofdeiland Malé en het daarnaast gelegen Hulhumale, waarop het vliegveld ligt. Relatief dichtbij dan, want met de ferry (langzamer dan een speedboot maar spotgoedkoop) duurt het nog steeds ruim anderhalf uur om op Maafushi te komen.

    De afstand tussen de eilanden—sommigen liggen zo afgezonderd dat je beter een binnenlandse vlucht met een watervliegtuig kunt nemen—is direct ook één van de charmes van de Malediven. Doordat veel eilanden niet zo makkelijk te bereiken zijn (lees: urenlang op de boot) blijven ze redelijk authentiek en rustig. En dat is nu juist waar veel onafhankelijke reizigers naar op zoek zijn.

    Van te voren doen we enig naslagwerk in de vorm van reisblogs lezen en prijzen vergelijken. Omdat er zoveel lokale eilanden zijn (de één nog mooier dan de ander) is het moeilijk kiezen, maar uiteindelijk boeken we drie overnachtingen bij Isle Beach Inn op Maafushi en drie bij Thundi Guesthouse op Fulidhoo, een nog kleiner eilandje twee uur verder varen naar het zuiden. De gemiddelde kamerprijs is met vijftig euro wel een stuk duurder dan ons gemiddelde budget, maar nog steeds erg goedkoop in vergelijking met de resorts. En het is goed waar voor je geld, want hiervoor krijg je een luxe kamer met eigen badkamer, een groot tweepersoonsbed, airco, gratis water, koffie en thee, een riant ontbijt en vrij gebruik van snorkelsets. En natuurlijk palmbomen met hangmatten en een uitnodigend wit strand bij je voordeur.

    Malé

    Omstreeks zeven uur ’s ochtends landen we op het piepkleine vliegveld van de Malediven, wat aan alle kanten omsloten is door water. En wat voor water! Tijdens de korte oversteek van het vliegveld—eiland naar hoofdeiland en hoofdstadje Malé (vanwaar de grotere veerboten naar omliggende eilanden vertrekken) worden we onmiddellijk betoverd door de prachtige blauwtinten en de ongelofelijke helderheid van het water waar de Malediven bekend om staan. Malé zelf is iets minder interessant want het is helemaal volgebouwd en het stikt er van de motors en scooters. Doordat het de dagen ervoor enorm geregend heeft liggen sommige straten vol regenwater. Het levert een paar leuke foto’s op en natte voeten. Maar dat is met temperaturen van dertig graden helemaal niet erg.

    Omdat de veerboot van Malé naar Maafushi pas om half drie ’s middags vertrekt zijn we gedwongen om het grootste gedeelte van onze eerste dag in Malé rond te hangen. We doden de tijd met eten inslaan bij de supermarkt, een lekker ijsje eten bij Seagull restaurant en alle kledingwinkeltjes van Malé afspeuren naar een nieuwe pet voor Joost Jan want de vorige, een mooi geruit petje uit een hip winkeltje in Istanboel, ligt stom genoeg nog in het vliegtuig. In theorie hadden we hem best terug kunnen krijgen want we komen er bij de bagageband al achter en we zien ons vliegtuig nog gewoon staan. Maar ja, even teruglopen gaat nu eenmaal niet. In plaats daarvan melden we ons keurig bij de gevonden voorwerpen waar een mannetje wordt gebeld die in het vliegtuig onder onze stoelen gaat zoeken. Allemaal leuk en aardig maar het werkt niet. Er wordt niets gevonden terwijl we zeker weten dat de pet er ligt. Of we toch niet even zelf mogen… Helaas. Grrr. Dan maar een nieuwe pet want het is toch wel fijn om in de tropenzon iets op je kale knikker te hebben. Gelukkig vinden we een mooie pet in vergelijkbaar model, een donkergrijze met witte strepen.

    Maafushi

    Inmiddels is het al middag en omdat we in geen geval de veerboot willen missen (ze gaan om de dag) lopen we maar alvast naar de ferry terminal. We kopen de tickets (omgerekend €1,30 voor anderhalf uur varen) en daarna vallen we pardoes in slaap in de wachtruimte. Twee gebroken nachten in het vliegtuig eist zijn tol. Als we enkele uren later, na een rustige overtocht op kalme zee, op Maafushi de boot afstappen worden we opgewacht door het personeel van Isle Beach Inn. Onze backpacks worden op een karretje geladen, wat voor rugzakreizigers best een bijzondere ervaring is. We krijgen verse papayasap als welkomstdrankje, een uitleg over het eiland en daarna de vraag wat we als diner willen. Onze weekje vakantie is begonnen!

    De drie dagen op Maafushi vliegen voorbij. We zwemmen, zonnen, snorkelen, klimmen in palmbomen, genieten van de zonsondergangen en, helaas, we verbranden. Het blijft wennen, die tropische zon, ondanks onze eerdere ervaringen op de Filipijnen en in Panama. Het kan komen dat de zonkracht hier zó sterk is dat zelfs constant insmeren (wat we deden) niet genoeg is, maar misschien ligt het ook wel aan de tweedehandskwaliteit zonnebrandcrème uit Rusland die we in Centraal-Azië voor een schijntje op de kop hebben getikt. ’s Avonds maken we wandelingen langs het strand met een zaklamp want dan komen de pijlstaartroggen en de zwartpuntrifhaaien (die je tijdens het snorkelen overdag minder snel ziet) heel dichtbij het strand en zijn ze goed te volgen met het lichtschijnsel. Niet alleen het strand maar ook het eten bij ons guesthouse is genieten want de Bengaalse kok kan onvoorstelbaar lekker koken. De rode snapper bij het diner, de tropische fruitsalades met ananas, mango en papaya, het Maldivische ontbijt… Dat laatste is echt iets bijzonders en zouden we graag eens willen uitproberen in Nederland. Het standaard ontbijt in de Malediven, Mas Huni, bestaat uit wraps (chapati’s) gevuld met tonijn, kokos, limoen en ui en wordt gekruid met chilipoeder, rode peper en knoflook. Heerlijk!

    iPad vergeten

    Een paar dagen later, op de veerboot van Maafushi naar Fulidhoo, komen we tot een onaangename ontdekking: onze iPad ligt nog bij het guesthouse! Niet iets wat je kwijt wilt raken want daarmee staan we in contact met onze familie en vrienden en regelen we alle praktische zaken op onze reis. Hoe stom kunnen we zijn! Gelukkig hebben we het visitekaartje van Isle Beach Inn in onze zak en mogen we de telefoon gebruiken van een lokale medepassagier. De iPad is snel gevonden en ze zullen ‘m meegeven met de kapitein van de volgende veerboot—over twee dagen. Aangekomen bij Thundi Guesthouse belt de eigenaar ook nog een keer en warempel, twee dagen later hebben we onze iPad terug! Wat een geluk, en ook: wat een service! Het onderstreept maar eens hoe de bevolking hier is: zeer vriendelijk, behulpzaam en betrouwbaar.

    Zon, zee, boerka

    De inwoners van de Malediven zijn streng moslim, waardoor de eilandengroep geen doorsnee strandbestemming is. Zonnen is alleen toegestaan op de zogenaamde ‘bikini beaches’ (afgeschermd) en het is gewenst dat men zich in het openbaar fatsoenlijk kleedt. Uiteraard is het nuttigen of invoeren van alcohol streng verboden. Dit zijn belangrijke zaken om rekening mee te houden als je besluit om naar de lokale eilanden te gaan. Voor de resort-eilanden geldt dit overigens niet. We blijven het ‘zon-zee-strand’ van de Malediven en de vrouwen in zwarte boerka’s (zelfs kleine meisjes, hoe zielig!) een fascinerende combinatie vinden en ook vinden we het behoorlijk oneerlijk. Maldivische mannen zien er vaak überhip uit met hun lange, zwart krullende haar, gespiegelde surfzonnebril en felgekleurde enkelbandjes en zij mogen vreemd genoeg zonder T-shirt rondlopen. De vrouwen dragen een hoofddoek of zijn volledig bedekt en zwemmen doen ze met boerka en al. Een verrassing voor ons was dat deze vrouwen niet stil konden zitten bij het optreden van de lokale muziekvereniging, wat trouwens erg leuk was om mee te maken. De mannen werkten zich in het zweet op de trommels en de vrouwen waren gretig met dansen.

    Fulidhoo

    Het eiland Fulidhoo is vergeleken met Maafushi een stuk kleiner, nóg mooier en minder toeristisch. De kleurtinten van het water gaan van een soort transparant groen naar intens lichtblauw tot diep donkerblauw en alles daartussenin. Het eiland heeft spierwitte stranden en is weelderig begroeid met palmbomen, felgekleurde bloemen en joekels van mangrovebomen vol lianen en vleermuizen. Ook zie je overal krabbetjes rondscharrelen, vooral ’s avonds. Het lijkt wel een stranddans die ze uitvoeren. Sommigen lopen zelfs ‘helemaal’ naar de andere kant van het eiland. Bij de pier zwemmen grote roggen, veel groter dan degene die we op Maafushi hebben gezien. Het eiland barst van het natuurschoon. Jammer genoeg barst het ook van de muggen, het enige minpuntje.

    Met de eigenaar van het guesthouse en twee andere stelletjes maken we een prachtige snorkeltour met de boot. Onze twee grote wensen gaan in vervulling, want bij een prachtig rif midden op zee zien we een grote zeeschildpad waar we een hele tijd achteraan kunnen zwemmen en die we zelfs kunnen aanraken als hij omhoog komt om adem te halen. Op een ander punt, bij de pier van een resort-eiland, zien we van heel dichtbij een vijftal grote verpleegsterhaaien. Wat een indrukwekkende beesten. Wees gerust, ze zijn niet gevaarlijk.
    We leren ook een voor ons nieuw fenomeen kennen: free diving. Zoals het begrip al aangeeft betekent dit simpelweg: duiken zonder apparatuur. Je adem inhouden dus, maar dan door gebruik te maken van een bijzondere ademhalingstechniek. Hoe het precies werkt weten we niet, maar het vereist jaren van oefening. De Maldivische kinderen uit vissersdorpjes leren het van jongs af aan. We zien er tijdens de snorkeltoer een klein staaltje van. De snorkel van één van de deelnemers was naar beneden gezonken, ruim tien meter diep. Zonder al te veel moeite duikt één van de lokale gasten de snorkel weer op. Wauw!

    Topbestemming

    Tijd voor een eind aan dit verhaal. Niet makkelijk, want over de Malediven valt nog veel meer te vertellen. We hadden er gerust nog langer kunnen blijven maar dat stond ons budget niet toe. We zijn enorm blij dat we deze bestemming aan onze reis toegevoegd hebben. Een prachtig palmboomparadijs vol vriendelijke mensen, het blauwste water, de mooiste vissen en de witste stranden ooit én toegankelijk voor reizigers met een klein budget!

  • Contrasten

    Contrasten

    № 25 | Stop-over

    Wat gaan we doen? Verder reizen over land of toch maar via de lucht? De keuze is lastig maar uiteindelijk besluiten we om voor de tweede optie te gaan. Qua tussenstop kunnen we kiezen uit één van de volgende hubs: Bishkek (Kirgizië), Almaty (Kazachstan), Ürümqi (China), Novosibirsk (Siberisch Rusland), Moskou, Istanboel of Dubai. Vanwege onze vervolgbestemming blijkt Dubai het meest voor de hand liggend te zijn, én het goedkoopst.

    Keuzes maken

    We hadden Tadzjikistan dus ook over land kunnen verlaten, bijvoorbeeld via de Pamir Highway. Deze route loopt van Mazâr-e Sharîf (مزار ش ریف) in Noord-Afghanistan via een stukje Oezbekistan en een groot deel van Tadzjikistan tot aan Osh (Ош) in Kirgizië. Vooral het oostelijke deel van Tadzjikistan, het ruige Pamir plateau, moet zeer, zeer indrukwekkend zijn. In de lokale taal betekent Pamir: “dak van de wereld”. Deze bergketen sluit aan op de Hindu Kush in Afghanistan en op het Tibet-plateau van de Himalaya. De Pamir Highway is de op één na hoogstgelegen weg ter wereld (na de Karakoram Highway in Pakistan) en is aangelegd door de Sovjets om hun oorlogsmaterieel in dit onherbergzame deel van Azië te krijgen.

    We hebben lang getwijfeld om deze aantrekkelijke route te nemen en daarna via Kazachstan en Mongolië naar China te reizen. Ook hebben we aan een route door India en Nepal zitten denken. Maar deze opties hebben ook hobbels. Zo kan de Pamir Highway in mei vanwege overstromingen, lawines en modderstromen erg gevaarlijk zijn. Daarnaast krijg je waarschijnlijk te maken met hoogteziekte. Dit kan voor een echte overland traveler natuurlijk nooit reden zijn om er van af te zien, maar toch is dit wel iets om serieus te nemen. De Pamir Highway kent namelijk een berucht traject van zo’n zestien uur stuiteren en heeft bergpassen van boven de vierduizend meter. Omdat we de tocht voor nu iets te risicovol vonden, hebben we besloten om de Pamir Highway voor later te bewaren. Een uitstekende reden voor een volgend bezoek aan Centraal-Azië! Wat India betreft: grote delen van het land zijn ongenadig heet in mei, dus veel beter is het om het land in een (relatief) koelere periode te bezoeken. China is ook afgevallen, omdat een visum niet zo makkelijk te regelen valt vanuit Tadzjikistan. Uiteindelijk kiezen we er dus voor om via de ‘onderkant’ oostwaarts te reizen: Dubai, de Malediven, Sri Lanka en vervolgens Maleisië. Op naar de tropen!

    Dubai deel twee

    Erg vreemd om opeens weer in het enigszins surrealistisch aandoende Dubai te staan. Omdat we een gigantische stop-over hebben van maar liefst achttien-en-een-half uur, gaan we opnieuw de stad in. We zien onder andere het deel van het oude centrum wat we de vorige keer gemist hebben: de vismarkt, de Gold Souq (waar twintig procent van ’s werelds goud verhandelt wordt), de Spice Souq en het interessante Dubai museum. Daar ontdekken we hoe een nietszeggend vissersdorpje kon uitgroeien tot wereldstad. Vervolgens opnieuw de Dubai Mall in voor wat reisinkopen, en als afsluiting nog een wandelingetje over The Walk. ’s Avonds laat keren we hondsmoe terug naar het vliegveld voor onze nachtelijke vervolgvlucht naar de Malediven.

    Moderne slavernij

    Tijdens het wachten bij de gate krijgen we een onverwachts inkijkje achter de oppervlakkige pracht en praal van de Emiraten. Een vrouw van onze leeftijd spreekt ons aan en er ontstaat een openhartig gesprek. Ze vertelt dat ze net is aangekomen uit Manila (de Filipijnen) en onderweg is naar Saoedi-Arabië om daar als D.H. (domestic helper) in een rijk huishouden te gaan werken, zeven dagen per week. Wat haar taken precies zullen zijn weet ze nog niet. Het is haar eerste keer, zo herhaalt ze steeds. Dat merken we, want ze is behoorlijk zenuwachtig. Zesentwintig jaar, een man en drie kinderen thuis (waarvan de oudste tien jaar is) en van hen heeft ze zojuist voor twee jaar afscheid genomen. Kun je het je voorstellen? En al die opoffering (zoals ze het zelf ook noemt) voor een inkomen van vierhonderd dollar per maand. Uiteraard kom je daar in de Filipijnen een heel stuk verder meer mee dan in Nederland, maar toch. Skypen met haar kinderen wil ze niet. Te pijnlijk. We hebben ongelofelijk met haar te doen. Het contrast tussen onze levens—en tussen onze reisbestemmingen—had niet groter kunnen zijn.

  • Dit leerden we van 8 maanden wonen in Tadzjikistan

    Dit leerden we van 8 maanden wonen in Tadzjikistan

    № 24 | Deel 3: Centraal-Azië

    Reizen is één ding. Wonen in een vreemd land is iets heel anders. Dat we tegen cultuurverschillen aan zouden lopen tijdens ons verblijf in Tadzjikistan was natuurlijk logisch. Maar hoe diep cultuur kan gaan, en hoeveel tijd het kost om tot deze ontdekking te komen—dát hadden we niet verwacht. Kortom, we hebben erg veel geleerd van acht maanden wonen in een ander land (waarvan vijf bij een lokaal gastgezin). Hieronder in het kort wat we (her)ontdekt hebben.

    Les 1: Een cultuur leren kennen kost tijd

    Vrij obvious maar zo waar! Na acht maanden beginnen we net een klein beetje van deze cultuur te begrijpen. Met de nadruk op klein.

    Les 2: Omgangsvormen zijn ingewikkelder dan je denkt

    In Nederland is het niet meer dan normaal dat een man een vrouw in de ogen kijkt. In Tadzjikistan is het daarentegen zeer onbeschaafd en uitermate onwenselijk. En de vrouw die de blik van zo’n onbeschaafde man beantwoordt? Wel, zij is niet vriendelijk maar hoerig. Ook als man informeren naar de gezondheid van een andere vrouw dan die van jou is absoluut niet juist en kan zomaar verkeerd opgevat worden. Hoe verschillend omgangsvormen kunnen zijn heb je lang niet altijd direct door.

    Les 3: Het Nederlandse onderwijs is zo gek nog niet

    Met ‘dank’ aan de Sovjets is een keiharde aanpak op school nog steeds volstrekt normaal in Centraal-Azië. Daarbij hoort onder andere het slaan op de vingers met een ijzeren liniaal en een kind voor gek zetten tegenover de hele klas in de verwachting dat het daardoor wel beter zijn best zal gaan doen. Weinig pedagogische methoden die in Nederland op z’n minst achterhaald worden bevonden. Toch? Nu wel misschien, maar nog niet eens zo heel lang geleden deden wij precies hetzelfde. Vraag maar aan je opa en oma.

    Les 4: Ook westerlingen verschillen

    Naast onze dagelijkse ontmoetingen met de lokale bevolking hadden we ook veel te maken met Amerikanen, Canadezen, Zwitsers en Britten en in mindere mate met mensen uit Australië, Brazilië, Pakistan, Korea, Zuid-Afrika en Tsjechië. Ondanks het Engels als verbindende taal konden we met geen van hen onze typische Nederlandse humor en directheid delen. De Britten en Zwitsers kwamen qua begrip van onze cultuur het dichtstbij, maar desondanks bleef er afstand. In de afgelopen maanden kwamen we tot de herontdekking dat het ‘Nederlander zijn’ veel dieper gaat dan we ooit voor mogelijk hielden. De soms lompe luidruchtigheid, de eeuwige neiging tot klagen en het typische ‘hart op de tong’ zijn zaken waar we ons zelf bij tijd en wijle vreselijk aan kunnen storen of diep voor kunnen schamen. Tegelijkertijd vinden we het heerlijk en voelen we ons bij niets anders beter thuis. Niet het ‘would you please’ van de Brit en ook niet het ‘it’s amaaazing’ van de Amerikaan maar de heldere recht-door-zee mentaliteit van Nederland is waar we toch eigenlijk het meest van houden. Wat trouwens niet wil zeggen dat de Britse beleefdheid en het Amerikaanse enthousiasme geen mooie dingen zijn. Integendeel.

    Les 5: Je eigen moerstaal is belangrijk

    Wat we niet hadden vermoed—want we hadden elkaar—bleek toch waar: we misten de Nederlandse taal om ons heen. Het deed mij terugdenken aan de twee maanden vrijwilligerswerk op een summer camp in de Amerikaanse staat Georgia, nu zo’n tien jaar terug. Ik was de enige Nederlander tussen voornamelijk Afro-Amerikanen en ik ontdekte dat binnen het Engelse taalgebied de hip hop slang een taal op zich is. Het was een leuke, boeiende en leerzame tijd maar soms voelde ik me echter ook eenzaam. Nu hadden we een soortgelijke ervaring, want in de eerste vier maanden van ons verblijf in Tadzjikistan zijn we geen andere Nederlanders tegengekomen. Wat waren we blij toen dat daarna veranderde. We ontdekten: je hebt maar één moedertaal.

    Les 6: Je cultuur, die neem je mee

    Je krijgt weleens de indruk dat het meenemen van je eigen cultuur niet zou mogen wanneer je naar een ander land verhuist—al dan niet vrijwillig. Tenminste, als je de bizarre uitspraken van iemand als Geert Wilders serieus moet nemen. Feit is dat je cultuur met je meereist en onlosmakelijk verbonden is met wie jij bent, wat een ander er ook van vindt. Het raakt je identiteit. Of je nu Marokkaan, Limburger of een uit de klei getrokken polderboer bent: het zal altijd je eigen (sub)cultuur zijn die de warmste gevoelens bij je losmaakt. Dat poets je niet even weg, ontdekten we opnieuw.

    Les 7: Een cultuurverandering is niet zomaar wat

    Doordat we acht maanden in een volstrekt andere samenleving hebben gewoond, beseffen we nu een beetje waar een vluchteling in Europa doorheen moet gaan. Een cultuurverandering is niet zomaar wat! Wat wij in het begin vooral ervoeren was onzekerheid. Alles om je heen is nieuw en vreemd. Soms bekroop ons zelfs een gevoel van verlorenheid, omdat je je eigen landgenoten, gewoontes en dingetjes mist en niet zomaar even naar je vertrouwde omgeving terug kan. ‘Ontworteld’ en ‘ontheemd’ zijn termen die iets minder abstract zijn geworden voor ons. Al haasten we ons erbij te zeggen dat het voor een vluchteling honderd keer heftiger moet zijn dan voor ons.

    Les 8: Wonen in een andere cultuur is helemaal opnieuw beginnen

    Een beeld dat weleens gebruikt wordt om te illustreren hoe moeilijk het kan zijn om je te settelen in een nieuw, vreemd land is het beeld van een baby. Een uitstekend voorbeeld als je het ons vraagt want soms voelden we ons net zo: volkomen hulpeloos.

    Les 9: Als buitenlander blijf je opvallen (of je wilt of niet)

    Mensen die je kunnen aankijken alsof je van Mars komt. Openlijk uitgelachen worden op straat. Voelen dat je buitenstaander bent. En blijft. Al ga je op je kop staan, je ontkomt er niet aan.

    Les 10: Een eigen plekje hebben is heerlijk

    Na vijf maanden wonen in een lokaal gastgezin, vonden we het een verademing om te verhuizen naar een ‘eigen’ appartement. Begrijp ons goed: de familie was heel goed voor ons en we kwamen niets tekort. We hadden deze periode dan ook zeker niet willen missen. Maar toch. Het is gewoon het fijnst om lekker je eigen dingetjes te kunnen doen. Al vinden we het vanaf nu wel heel raar om met je schoenen aan(!) een huis binnen te banjeren. Dat doe je toch niet?

    Les 11: Een nieuwe taal leren is frustrerend maar wel de moeite waard

    Een compleet ander alfabet. Klanken die anders uit je keel komen dan je hersenen willen. Woorden die wel in het boek staan maar niet op straat gesproken worden. Een nieuwe taal leren is vermoeiend. We vonden de taalstudie een behoorlijke struggle af en toe maar tegelijkertijd was het ook leuk en boeiend. Het blijft ongelooflijk hoeveel deuren het opent als je de taal van het land spreekt. Ook al was het erg gebrekkig in ons geval.

    Les 12: Je leert je eigen cultuur pas echt goed kennen in een andere

    Dit is misschien wel de belangrijkste les die we geleerd hebben. Pas buiten je eigen cultuur valt op wat de waarden zijn waar je belang aan hecht. En pas buiten Nederland valt op dat een Nederlander vaak gewoon een grote bek heeft. Je hebt soms een buitenstaander of een heel buitenland nodig om de mooie dingen én de blinde vlekken uit je eigen cultuur te kunnen zien.

    Les 13: Verwacht niet dat de ander jou (vanzelf) begrijpt

    Binnen ons gastgezin bestonden bepaalde gewoonten. Bijvoorbeeld het open laten staan van een buitendeur midden in de winter. Erg vervelend, helemaal ’s nachts. Onze slaapkamer bevond zich namelijk precies tegenover deze buitendeur. Snappen ‘ze’ dan niet dat dit voor—onnodige—kou en tocht zorgt? Nee dus. Het bespaarde ons een hoop energie toen we dit eindelijk doorkregen. Verwacht niet dat de ander jou (vanzelf) begrijpt. Achteraf gezien zijn we ook wel benieuwd naar hetgeen zij van ons niet begrepen hebben trouwens.

    Les 14: Een ander proberen te begrijpen kost iets van jezelf

    De laatste drie maanden werd het ons zo goed als onmogelijk gemaakt om langer door te slapen vanwege de basisschool pal achter ons appartement. Dit kwam niet door de schoolbel, maar door kinderen in schooluniform die op het plein, om kwart voor acht ’s ochtends, op volle longsterkte gedichtjes door de microfoon toeterden. De één uiteraard nog harder dan de ander. We vonden het, zacht gezegd, behoorlijk onprettig om zo de dag te moeten beginnen. Je gaat toch niet de hele buurt uit bed blèren met die microfoon? En waarom wordt aan deze kinderen niet geleerd wat een gedicht voordragen is? Pas toen we accepteerden dat we de gewoontes van deze school niet helemaal snapten maar desondanks toch moesten vaststellen dat dit normale kinderen zijn (ze hadden geen groene antennetjes op hun hoofd) verdween onze irritatie, gingen onze oren open en kregen we zelfs enige belangstelling voor de inhoud van de gedichtjes. Een ander proberen te begrijpen kost in de eerste plaats iets van jezelf.

    Les 15: De westerse blik, die hou je toch

    Verdorie, weer een stroomstoring. Precies op het moment dat je de uitgevallen iPad wilt opladen. Kunnen ‘ze’ die elektriciteitsproblemen niet eens een keer goed oplossen in plaats van dat eindeloze oplapwerk? En dan het vlees bij de slager! Dat hangt gewoon buiten in de zon! Zo kunnen we nog wel even doorgaan. Uiteindelijk kwamen we tot de beschamende conclusie dat het ‘probleem’ voornamelijk lag bij onze eigen westerse perceptie. Als je hoge (lees: westerse) verwachtingen blijft koesteren in een niet-westers land zul je er nooit gelukkig worden. Misschien dat dit kijken met de westerse blik zal slijten door de jaren heen, maar we schatten zo in dat je, tenzij je hier van jongs af aan opgegroeid bent, er waarschijnlijk nooit helemaal van verlost zult worden.

    Les 16: Een dictatuur heeft ook voordelen

    Tadzjikistan kent een volslagen andere regeringsvorm dan Nederland. De president heeft zichzelf voor het leven benoemd en duldt geen tegenspraak. Dat klinkt ongezellig zou je zeggen. Toch heeft de bevolking dit liever dan de bloedige burgeroorlogen uit het verleden. Nu is er tenminste stabiliteit, en dat is ook wat waard. Zo hadden we het nooit bekeken.

    Les 17: De westerse cultuur is niet de hoogste trap der beschaving

    In de eer- en schaamtecultuur van Centraal-Azië zien we veel mooie dingen. Een groot respect voor ouderen bijvoorbeeld. De gewoonte dat mannen in de bus hun plek afstaan aan vrouwen. Enorme hoeveelheden eten klaarmaken om daarmee te tonen dat je gastvrij bent. Drie, vier of soms zelfs vijf zinnen gebruiken om te informeren naar iemands gezondheid, familie en welbevinden. En zo zijn er nog veel meer prachtige voorbeelden te noemen. De bevochten waarden van het westen mogen er ook zijn, maar de westerse cultuur is zeker niet de hoogste trap der beschaving.

    Les 18: Interpreteren is een valkuil (en een vooroordeel is zo geboren)

    Afval op straat gooien is in Tadzjikistan de normaalste zaak van de wereld. Zo zagen we eens twee slimme verkopers die vanuit een vrachtwagentje bij een grote school ijsjes verkochten. Werkelijk de hele straat lag van voor tot achter bezaaid met wikkels. In het begin vonden we dergelijk gedrag vreselijk asociaal en namen we aan dat hier niemand om het milieu geeft. Dit was onze eerste interpretatie. Tot we hoorden dat, naar oud Sovjetgebruik, de straten hier dagelijks schoongeveegd worden. Wellicht nog steeds onwenselijk om dan je rommel op straat te flikkeren, maar onze eerste interpretatie was niet juist.

    Les 19: Privacy is een voorrecht

    De vijf maanden in het gastgezin woonden we op één klein kamertje. Altijd op elkaars lip dus. Vergelijk dat eens met onze voormalige eengezinswoning! Wat een enorme luxe is dat toch, privacy. En wat een voorrecht.

    Les 20: We leven in een oneerlijke wereld

    Acht maanden wonen in een ontwikkelingsland doet ons diep beseffen hoe ongelooflijk rijk we zijn. Alleen al het feit dat we het geld en de vrijheid hebben om een reis als deze te maken is voor de meeste Centraal-Aziaten nauwelijks te bevatten. Ja, we wisten het al, maar weten en ervaren zijn twee verschillende dingen. We leven in een oneerlijke wereld.

  • Een tweede vrouw

    Een tweede vrouw

    № 23 | Deel 3: Centraal-Azië

    En toen zat onze periode in Centraal-Azië er alweer op. Oké, nog één verhaaltje dan. Pasgeleden brachten we het weekend door in een dorpje twee uur rijden verderop. Je hebt een taxi nodig om daar te komen, dus dat deden we. Op naar de taxistandplaats.

    “Nog twee personen, nog twee personen!” roept een taxichauffeur ons toe. Een paar chauffeurs ernaast zeggen hetzelfde. Taxi’s rijden hier nooit weg met minder dan vier passagiers. Dat is mooi, denken we, want als wij dus de laatste twee zijn, kunnen we gelijk vertrekken. We kiezen een iets ouder, betrouwbaar uitziend iemand uit, want die rijden meestal ietsje minder hard en roekeloos dan de jongere gastjes. Het blijkt niet helemaal waar wat de taxichauffeur zegt. In plaats van twee heeft hij nog maar één andere passagier en omdat deze vindt dat de zoektocht naar de laatste passagier te lang duurt loopt hij uiteindelijk weg. Ja, zo komt een taxi nooit vol natuurlijk. Als de chauffeur terugkomt met de—naar hij dacht—vierde klant, en ziet dat zijn eerste passagier weg is wordt hij boos en gaat dan noodgedwongen opnieuw op zoek. Als vervolgens deze nieuwste klant tot onze frustratie óók weer wegloopt zijn we het zat en en gaan we op zoek naar een andere taxi. Later horen we dat taxichauffeurs altijd roepen dat ze er “nog maar één” of “nog maar twee” nodig hebben, ook al is hun taxi helemaal leeg.

    Uiteindelijk lukt het ons dan toch. Onze nieuwe chauffeur is een vrolijke man met hawaïhemd en zonnehoed en de prijs is goed. Zodra hij doorkrijgt dat we zijn taal een (heel) klein beetje machtig zijn beginnen de vragen. Waar we vandaan komen, wat we van zijn land vinden, vragen over onze families, en ga zo maar door. Af en toe wordt het gesprek onderbroken omdat we moeten stoppen voor een politie-checkpoint waarbij de zonnehoed snel afgaat en de gordel losjes wordt omgedaan. Altijd beter om het erop te laten lijken dat je je aan de regels houdt en er zo onopvallend mogelijk uitziet. De handdruk met daarin de bijverdienste voor de agent wordt liever vermeden. Gelukkig, op deze rit ontspringt onze chauffeur de dans want het zijn steeds andere auto’s die staande worden gehouden.

    Het onderwerp familie blijkt hem het meest te interesseren. En dan met name ons huwelijk. Waarschijnlijk raakt hij bezorgd over het feit dat we al vier jaar getrouwd zijn maar nog steeds geen kinderen hebben. Dat kan in deze cultuur natuurlijk niet. Of het misschien voor Joost Jan geen tijd wordt voor een tweede vrouw? De chauffeur meent het, want hij begint te toeteren naar elke vrouwspersoon die er in zijn ogen geschikt uitziet. “We hebben heel veel goede vrouwen hier hoor!”, knipoogt hij lachend. Wat we ook aanvoeren (een tweede vrouw is veel te duur, het is verboden in Nederland, G. voldoet prima), het helpt allemaal niets. Er moet volgens hem echt een vrouw bij en hij is niet van plan erover op te houden.

    De fruitstalletjes langs de kant van de weg brengen uiteindelijk uitkomst. Eindelijk, verandering van onderwerp. Omdat we te gast zijn moet er fruit voor ons gekocht worden en bij elk stalletje mindert onze vrolijke taxichauffeur vaart om te kijken of er iets tussenzit. Ondertussen wil hij weten wat alle fruitnamen zijn in het Nederlands, wat grappig is omdat veel woorden in het Russisch hetzelfde zijn en dit voor verwarring zorgt. Abrikozen bijvoorbeeld. Wat ook is wat hij voor ons koopt. Niet lang daarna arriveren we in het dorpje. Met fruit, maar zonder tweede vrouw.

  • De HEMA-bodywarmer

    De HEMA-bodywarmer

    № 22 | Deel 3: Centraal-Azië

    Pas liep er een man voor ons in een bekende rode bodywarmer die we al lange tijd niet meer hadden gezien. We konden een glimlach niet onderdrukken. “HEMA” stond er op, in witte, vertrouwde blokletters met een streep eronder. Het blijft ons fascineren hoe kleding die hoogstwaarschijnlijk geproduceerd is in één van de lagelonenlanden van deze regio via een omweg door het westen uiteindelijk weer in hetzelfde gebied terugkeert (zie ons eerdere verhaaltje over deze bijzondere logistieke kringloop).

    Deze bodywarmer is een goed voorbeeld van de vele vormen van hergebruik die we hier om ons heen zien. Eerder schreven we al over de vele tweedehandse Duitse en Russische auto’s op straat. Maar ook Nederland is in dit opzicht het vermelden waard. Pas zaten we in een geelwitte Syntus-bus met de 9292ov-sticker nog achterop en binnenin de aanwijzing ‘gordels dragen verplicht’. De betreffende gordels waren er overigens uitgesloopt.

    Het is niet alleen dit soort verrassende recycling, maar ook de geglobaliseerde wereld in het algemeen en de talloze economische verbindingen tussen Centraal-Azië en andere landen wat ons in het straatbeeld opvalt. Neem China. De invloed van het land van de draak is goed te merken. Hemelsbreed is het grote China dan ook niet ver van ons vandaan. Dagelijks zien we vrachtwagens van Chinese makelij rondrijden met sierlijke karakters op voor- en zijkant en overal worden taalcursussen Chinees aangeboden. Ook veel bouwprojecten zijn Chinees, evenals de bouwvakkers. En natuurlijk liggen de winkels barstensvol Chinese producten. Hoewel—dat moet gezegd—voor Chinese bouwvakkers en Chinese producten hoef je anno 2016 natuurlijk niet noodzakelijkerwijs dichtbij China te zijn.

    Ook komt er veel import uit Korea. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is misschien wel de Hyundai Starex. Dit is dé populairste minibus waar we zo’n beetje dagelijks instappen. Ook zijn er veel taekwondo scholen. Een andere reden waarom er veel verbindingen zijn met Korea, is de Koreaanse diaspora. Niet alleen in bijvoorbeeld China, Noord-Amerika en Japan maar ook in Centraal-Azië wonen veel ‘lokale’ Koreanen, vaak al generaties lang. Laatst hebben we bij een bevriend Koreaans gezin gegeten. We merkten de impact van de oplopende spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea van dichtbij. Vader vertelde over zijn verplichte diensttijd die hij doorbracht langs de grens met Noord-Korea. Ook hoorden we trieste verhalen over uiteengereten families die door de driedubbele muur gescheiden zijn. We beseften ineens dat niet alleen Noord-Korea, waar duizenden mensen sterven van de honger en gevangen zitten in strafkampen, maar ook het ogenschijnlijk welvarende Zuid-Korea enorm lijdt onder deze kwestie. Er is veel verdriet en machteloosheid wat betreft hun onfortuinlijke landgenoten in het noorden.

    En dan is er natuurlijk nog Rusland. Het is in deze ex-satellietstaat goed te merken dat het Kremlin een lange arm heeft. Hier geen twijfelende meningen of een genuanceerd standpunt over Oekraïne. Een stelletje fascisten zijn het, niets meer en niets minder. Dat zegt de grote meneer dagelijks op televisie en die wordt op handen gedragen. In één van de gesprekjes met onze taallerares uitten we een heel voorzichtig puntje van kritiek wat betreft de Russische houding tegenover Oekraïne en brachten we de ramp met de MH17 ter sprake. Ze begreep onze scepsis en gevoeligheid wel, maar desondanks wilde ze geen kwaad woord over Rusland horen. En dat is uitstekend te begrijpen. Rusland is dé grote werkverschaffer hier. Ook qua infrastructuur en woonvoorzieningen heeft Centraal-Azië veel aan de Russen te danken. Niet alleen werken er veel mannen en vrouwen in Rusland, andersom zijn er, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, ook best wat Russen achtergebleven. Meestal de armere mensen of ouderen die geen familie meer hadden om naar terug te keren.

    Soms denken we wel eens: zijn we nu in Centraal-Azië of in Rusland? Er is zo ontzettend veel wat Russisch aandoet. De Kamaz trucks, Lada’s en Volga’s bijvoorbeeld. De talloze shirts en petjes met ‘Russia’ erop. De autoradio in de marsjroetka die niet zelden afgestemd staat op een Russischtalige zender. De brede prospekts, omzoomd door lage, pastelkleurige gebouwen in Sovjetstijl. De honderden leenwoorden in de taal. Voor veel alledaagse voorwerpen is alleen het Russische woord in omloop. Denk aan woorden als stoplicht (светофор) of mok (кружка). De lokale equivalent kent men vaak niet eens.
    Aan de andere kant is het ook duidelijk dat de Centraal-Aziatische landen hard hun best doen om het verleden achter zich te laten en zijn ze duidelijk trots op hun onafhankelijkheid. Veel overheidsprogramma’s zijn erop gericht om de identiteit van het land en het nationalistische gevoel te vergroten, feestdagen die ten tijde van de Sovjetunie minder belangrijk werden gevonden worden nieuw leven ingeblazen en Sovjetgebouwen worden vervangen door modernere nieuwbouw. Maar het stempel “voormalige Sovjetrepubliek” kwijtraken, dat zal nog wel een tijdje duren. Of is dat nu juist één van de charmes van deze boeiende regio?

  • De Sovjetflat

    De Sovjetflat

    № 21 | Deel 3: Centraal-Azië

    Over Centraal-Azië schrijven zonder de Sovjetflat te noemen is onmogelijk. Ze staan overal. Grauwe kolossen uit een nog niet eens zo ver verleden. Vaak eenzaam, soms gegroepeerd. Blokken beton, een bonte verzameling satellietschotels op het dak. Afgebladderde, pastelkleurige verf en wapperend wasgoed maakt het sombere aanzien nog enigszins kleurrijk. Een enkele flat is opgeleukt met afgeronde hoekjes, rococo-achtige ornamenten of sierlijke balkonstijlen die vaag aan Jugendstil doen denken. Het helpt iets, maar niet veel. De onvermijdelijke treurigheid bij het aanzien van deze bouwsels overvalt je vroeg of laat. Wie bedenkt zoiets? Maar—ook dat is waar—praktisch is het wel. Er passen een hoop mensen in. Daarom worden ze waarschijnlijk ook niet afgebroken.

    Ook wij hebben de ‘eer’ nu in zo’n gebouw te wonen, zij het in een kleine variant. De haveloze buitenkant doet anders vermoeden, maar toch is het vrij gerieflijk wonen. Vanwege het jarenlange verzuim aan onderhoud is de kans op lekkage of andere narigheden aanzienlijk maar tot nu toe hebben we niets te klagen. Of het moet de gezellige gehorigheid zijn. Met esthetiek hebben deze flats dus weinig te maken. Of toch wel? Zo op het oog gezien is de Sovjetflat niet mooi te noemen. Anderzijds: het is maar net wat je onder schoonheid verstaat. Is oud lelijk? Stiekem hebben we daar toch nog wel een dingetje over. We moeten denken aan de griezelig perfecte nieuwbouwwijken van Nederland. Aan de strakke twee-onder-een-kapwoningen die van Delfzijl tot Dinxperlo hetzelfde zijn. Buiten de historische binnensteden en dorpskernen die onder het cultureel erfgoed vallen lijkt er voor vergane glorie weinig plaats te zijn in Nederland. In vergeten uithoeken van—noem eens wat—Oost-Groningen, Drenthe of Zeeuws-Vlaanderen wil men nog wel eens een bejaard kantoorpand of verouderde woning tegenkomen, maar de algemene tendens is toch dat oud spul zo snel mogelijk tegen de vlakte moet. Dat is hier anders. Ja, er is vervangende nieuwbouw (vooral rond de ambassades) maar afgezien daarvan blijft oud gewoon staan. En zo krijgt de Sovjetflat als vanzelf een authentieke, nostalgische, ja bijna sfeervolle uitstraling.

  • Over veegvrouwtjes, takkenwijven en supermarktmannetjes

    Over veegvrouwtjes, takkenwijven en supermarktmannetjes

    № 20 | Deel 3: Centraal-Azië

    We zijn groot fan van het Snickermannetje. Zo noemen wij deze straatverkoper althans. Twee planken vastgespijkerd aan een boom, wat makkelijk te slijten producten erop (snoep, chocola, sigaretten per stuk) en verkopen maar. Er zit een grote universiteit vlakbij, dus dat wil wel. Soms (lees: regelmatig), om onze chocoladeverslaving te voeden, kopen we voor omgerekend drieëndertig eurocent een Snicker bij hem. Vandaar die naam.

    Maar je hebt hier veel meer van dergelijke mannetjes en vrouwtjes. Zo zijn daar de veegvrouwtjes, gestoken in oranje hesje en gewapend met schoffel en vuilniszak. De gemeentewerkers dus, maar in bloemetjesjurk en met een hoofddoek op. Vrouwen die de openbare groenvoorzieningen onderhouden is een destijds door de Sovjets ingevoerde traditie en tot op heden in stand gehouden. ’s Winters slaan ze met takken ook sneeuw van de bomen. Zelfs het kleinste struikje ontsnapt hier niet aan. Daarom vonden we ’takkenwijf’ ook wel een passende benaming.

    Dan hebben we nog de bezemmannetjes, niet te verwarren met de veegvrouwtjes. Bezemmannetjes zijn nagenoeg altijd oud en gerimpeld, hebben een volwassen, grijze baard van minstens dertig centimeter die in een sierlijke punt eindigt, hebben een afgeladen fiets vol gevlochten bezems bij zich en roepen op luide toon: “Bezems te koop!”

    Een volgende groep die we graag onder de aandacht willen brengen zijn de marsjroetkajongetjes. Als je in dit land twijfelt over beroepskeuze, kun je altijd nog op de marsjroetka gaan werken. Je taak is geld in ontvangst nemen, geld wisselen en de marsjroetka zo vol mogelijk zien te houden. Goede longen zijn een vereiste, en ook moet je zeker niet verlegen zijn. Een minimumleeftijd hebben we nog niet kunnen ontdekken, wel is het lichtelijk verontrustend hoe jong sommigen zijn.

    Autowasjongetjes heb je ook. Je ziet ze bij sommige restaurants. De meer welgestelde inwoners van dit land worden, nadat ze hun Mercedes, Porsche of Lexus geparkeerd hebben en voordat ze het restaurant in willen lopen, door zo’n jochie met emmer en spons aangesproken en soms heeft zo’n kind geluk.

    Ook zijn er de shaslickmannetjes. Dag in dag uit in de barbecue-rook, ’s morgens vroeg beginnen ze al. Erg gezond kan dit nooit zijn, maar misschien hebben ze om brood op de plank te krijgen wel geen andere keus.

    Verreweg de fascinerendste groep vinden we de supermarktmannetjes. Er zijn hier enkele grotere supermarkten, voornamelijk gericht op de “Russified people” en de expats. Hier kun je alcohol kopen en andere luxeproducten. Af en toe halen we er wat lekkers, soms kijken we alleen rond. Slechts het zien alleen al van westerse producten kan fijn zijn. Steeds als we zo’n supermarkt binnen komen lopen, overkomt ons hetzelfde. Welk gangpad we ook inlopen: steevast komt er een supermarktmannetje (knaap in rode bodywarmer) achter ons aan. Soms wel twee of drie tegelijk. Ze vragen nooit iets, maar kijken alleen. Om gek van te worden! We zijn er nog niet achter of alleen wij deze ‘behandeling’ krijgen of dat dit de algemene bedrijfspolicy is. Is het om te kijken of er niets gestolen wordt? Geen idee. We vinden het weinig aangenaam om zo te winkelen, en ook een beetje griezelig. De personeelsbezetting in deze supermarkten is trouwens opmerkelijk te noemen. Het stikt er van de werknemers, maar wat hun taak precies is blijft onduidelijk. Soms vullen ze vakken maar doordat er zo weinig klanten zijn (deze supermarkten zijn duur!) blijven de vakken gewoon vol. Meestal hangen ze in groepjes rond bij de kassa, spelen ze met hun telefoon, of lopen ze maar wat achter de klanten aan. We hebben er pas nog een leuk spelletje van gemaakt: in hoog tempo verschillende gangpaden doorlopen en kijken of er eentje achter je aankomt. Verstoppertje in de supermarkt. Koekkoek!

  • Welkom, vreemdeling

    Welkom, vreemdeling

    № 19 | Deel 3: Centraal-Azië

    We nemen je even mee naar de бозор (markt). “хуш омадед меҳмон”, klinkt het. Welkom gast. Ze zien het direct, die verkopers. Maar niet alleen zij. Iedereen ziet het. We zijn vreemdelingen. Natuurlijk vallen we op. Vreemde kleren, vreemde gezichten. Maar—hoe dan ook—we zijn welkom.

    Een paar minuten later horen we het weer. Welkom, gast! Het is hetzelfde terugkerende refrein. We hoorden het onderweg, maanden geleden al. Het zong ons tegemoet. Hoe dichter we het Midden-Oosten naderden, hoe luider de klank. Welkom, gast! Welkom, vreemdeling! We kennen je niet. We vinden je een beetje vreemd. Maar dat maakt niet uit. Je bent welkom.

    Onze hele reis hing aan elkaar van gastvrijheid. Het waren de liften die we kregen. Goede raad her en der. Spontaan aangeboden slaapplaatsen. Liters gratis thee en een ontstellende hoeveelheid gratis maaltijden, ondanks onze protesten. We werden toegelachen, geholpen, de weg gewezen. Mensen knoopten gesprekjes aan en lieten merken vereerd te zijn met ons bezoek. Merhaba, hoorden we in Turkije. Gosh omadied, hoorden we in Iran. Oh, Iran. Turkije staat er natuurlijk om bekend, maar misschien is Iran wel de koning van de gastvrijheid. Nergens was het zo duidelijk als daar. Een gast dient met het grootste respect en de grootste zorgzaamheid behandeld te worden. En dat hebben we ondervonden. Het was buitengewoon.

    Ook buitengewoon, maar dan anders, vonden we de beelden van de onophoudelijke stroom vluchtelingen in Europa, die wij in het Midden-Oosten op tv te zien kregen. We zagen de waterkanonnen, de demonstraties en het prikkeldraad. De boodschap van Europa was maar al te duidelijk: oprotten naar waar je vandaan komt.

    Waar ze vandaan komen? Wel, dat weten we allemaal. Uit landen als Syrië, Irak en Afghanistan. Uit culturen waar onvoorwaardelijke gastvrijheid tonen aan vreemdelingen één van de belangrijkste waarden is die men kent. Wij, twee Europeanen met een paspoort en genoeg geld om in luxe te reizen en onderweg ons eigen eten te kopen, hebben mogen proeven wat deze gastvrijheid inhoudt. Hadden we die gastvrijheid nodig? Nee. Zeker niet. We zijn vrijwillig op reis gegaan en hebben genoeg middelen tot onze beschikking om niet van de goedheid van de lokale bevolking afhankelijk te hoeven zijn. Maar we kregen het wel, die goedheid. In overvloed. Zomaar. Zo gaan ze in het Midden-Oosten nu eenmaal met vreemdelingen om.

    Hoe wij in Europa met vreemdelingen omgaan hoefden we niet uit te leggen aan al die mensen in Turkije en Iran die ons verwenden en gastvrijheid betoonden. Ze wisten het al, want ze zagen het op tv. Of ze ontvingen berichten van gevluchte familieleden.

    Onlangs lazen we een hartverscheurend verhaal over vluchtelingen in Duinkerken. Het is werkelijk precies het tegenovergestelde van wat wij op onze reis hebben meegemaakt. Het raakte ons diep. Wij, verwende reizigers, werden ongevraagd als koningen behandeld. Zij, diep hulpbehoevende vluchtelingen, als ratten. Bijna alles hebben ze al verloren. Nu raken ze in het als ‘christelijk’ bekendstaande Europa hun eer en waardigheid ook nog kwijt.

    Ze hadden ons daar in het Midden-Oosten eigenlijk met waterkanonnen terug Europa in moeten spuiten.

  • Een bananenboom in de winter

    Een bananenboom in de winter

    № 18 | Deel 3: Centraal-Azië

    Volgens de klimaatinformatie komen er in Tadzjikistan gemiddeld zo’n driehonderd zonnige dagen per jaar voor. Dat lijkt aardig te kloppen. We hebben al veel zonovergoten dagen meegemaakt met prachtige diepblauwe luchten. Ook nu in januari schijnt de zon volop. Heerlijk, want daardoor voelt het ondanks de koude winterlucht toch nog warm aan. Dat komt ook omdat het hier zelden waait.

    De bananenboom vlakbij ‘ons’ huis is gekortwiekt en ingepakt met aluminiumfolie. Van de lente zal hij weer gaan bloeien zo is ons verteld. Het is moeilijk te geloven dat een bananenboom de winter overleeft, maar blijkbaar kunnen ze een stootje hebben. We vinden de bananenboom wel een mooi symbool voor het klimaat hier: hete zomers, koude winters. Een typisch landklimaat dus. In de stad, waar wij wonen, valt het met de kou nog mee. Bij uitzondering kan het een keer vijftien of twintig graden onder nul worden. In de hooggebergtes, grenzend aan de Himalaya, is het een heel ander verhaal. Daar kan het kwik zomaar dalen tot min veertig of meer…

    Dan de regen. Het gebeurt niet vaak, maar áls het regent is het direct steenkoud. Ook ontstaan er enorme plassen waarvan je moeilijk kunt inschatten hoe diep ze zijn. De straten en voetpaden zijn namelijk slecht geplaveid. Een soort ‘twister’ krijg je dan, je weet wel, dat spelletje waarin je je lichaam in de meest onmogelijke posities moet zien te manoeuvreren. Enigszins avontuurlijk wordt het lopen in de regen dan wel, want de vraag is altijd of je met droge voeten thuiskomt. Daarnaast moet je onderweg ook uitkijken voor ongevraagde douches. Niet elk huis heeft bij de dakgoot een afvoerpijp naar beneden, waardoor het water vanaf het dak dus direct in een harde straal op straat klettert.

    Een voordeel van de regen hier is dat het niet in je gezicht waait. We zeiden het al, waaien doet het hier zelden. Voor ons, noeste Hollanders die gewend zijn om door striemende regenbuien te fietsen, is dat nieuw. Geen wind, het mag gerust een verademing genoemd worden.

    Tot slot nog iets over de sneeuw. Vorige maand, begin december, is het eerste pak gevallen. Niet enorm veel, maar genoeg om de straten voor bijna twee weken in ijsbanen te veranderen. Alleen de hoofdstraten worden sneeuwvrij gemaakt. De rest niet. Vreemd eigenlijk, want veel straatjes zijn hier vol voetgangers, en daardoor zijn het eigenlijk ook hoofdstraten. Je zou denken dat het sneeuwvrij maken van de belangrijkste looproutes daarom niet zo’n gek idee is. Maar zo denkt men hier niet.

  • Grootvadertje Vorst

    Grootvadertje Vorst

    № 17 | Deel 3: Centraal-Azië

    Anders dan je zou verwachten in een islamitisch land doen ze hier wel aan Kerst, zij het dan in lichte vorm. Her en der ontdekken we een opgetuigde plastic dennenboom, via de satelliet zijn soms wat kerstachtige reclamebeelden uit Rusland te zien en G. is naar een heuse kerstmarkt geweest in de tuin van de Duitse ambassade. Er waren meer Amerikanen dan Duitsers maar ze verkochten wel bratwurst en glühwein.

    En jawel, ook de kerstman kennen ze hier. Al heet hij anders. De beste man wordt hier “Grootvadertje Vorst” genoemd (Дед Мороз in het Russisch) ofwel Grandfather Snow. Het betreft een communistisch verzinsel uit de voormalige Sovjet-Unie, waar Tadzjikistan ook deel van uitmaakte, en is bedacht omdat elke verwijzing naar religie destijds streng verboden was, zéker het “Christ” in Father Christmas. Hoewel de kerstman natuurlijk al een verzinsel op zichzelf is, heeft men er voor de zekerheid dus maar een soort sneeuwman van gemaakt.

    Grandfather Snow blijft tot volgend jaar, want wat wij kennen als Kerst wordt hier als een soort nieuwjaarsfeest gevierd. We zien het maar als een originele variant van hetzelfde zielloze gebeuren want ook de kerstman heeft natuurlijk bijzonder weinig met Kerstmis te maken. Over Kerstmis gesproken: we hopen dat jullie een goed Kerstfeest hebben gehad en we wensen jullie alvast een hele fijne jaarwisseling toe en een fantastisch 2016!

  • Aardbeving!

    Aardbeving!

    № 16 | Deel 3: Centraal-Azië

    In de nacht van Eerste op Tweede Kerstdag maakten we de derde aardbeving in ons leven mee. Het epicentrum lag in Afghanistan, maar ook wij werden er wakker van. Gelukkig bleef het hier bij flink geschud en gerinkel. Geen gewonden of schade. Toch stonden we in mum van tijd naast ons bed, want je weet nooit hoe erg het gaat worden. De vorige aardbeving die we meemaakten (begin december) viel gelukkig ook mee, maar vooral de herinnering aan de eerste, véél zwaardere aardbeving staat nog vers in ons geheugen…

    Het begon midden op de dag, zomaar. Vanuit het niets begon de grond te beven en te hellen. Een héél naar en angstig gevoel. Onze eerste gedachte was: wat is dit? En direct daarna: een aardbeving! Wat moeten we doen? Waar zijn we veilig? Nou, nergens dus.

    De aardbeving hield lang aan, meer dan een minuut. We renden naar buiten en bleven in groepjes midden op straat staan. Uiteindelijk bleek het mee te vallen. Her en der in het land werden schade en gewonden gemeld maar daar bleef het bij.

    Tweehonderdvijftig kilometer zuidelijker was het een heel ander verhaal.

    Het epicentrum van deze zware aardbeving (7.5 op de schaal van Richter) lag in het ruige Hindu Kush gebergte in het uiterste noordoosten van Afghanistan. In totaal zijn er in dit gebied bijna driehonderd doden gevallen en er waren zeker twaalfhonderd gewonden.

    Om je gerust te stellen: echte zware aardbevingen komen in Tadzjikistan niet vaak voor. Wél is de aarde in deze regio eigenlijk constant in beweging. Niet waarneembare tot lichte aardbevingen komen dagelijks voor, soms zelfs meerdere op een dag. Dit geldt voor heel veel landen trouwens die aan de rand van een tektonische plaat liggen. Kijk maar eens op earthquaketrack.com. Dit helpt wellicht om het een beetje in perspectief te zien.

  • Het verhaal achter onze winterkleding

    Het verhaal achter onze winterkleding

    № 15 | Deel 3: Centraal-Azië

    We houden erg van de tweedehands kledingbazaar. Deze bazaar behoorde er eigenlijk helemaal niet te zijn, maar omdat de zeecontainers met daarin de uit liefdadigheid geschonken kleding uit het Westen in een Pakistaanse haven zijn opgekocht in plaats van verder te worden getransporteerd naar het land waar de kleding oorspronkelijk voor bedoeld was, is die bazaar er nu wel. Met enig geluk kun je hier je eigen weggegeven kleding terugkopen.

    Omdat we lichtgewicht reizen (één rugzak van negen kilo en één van vijftien) zal het je niet verbazen dat we het minimum aan kleding bij ons hebben. Per persoon twee broeken, een trui, een jas, twee T-shirts, twee hemdjes, vier paar sokken, drie paar ondergoed van merinowol, zwemkleding, één paar schoenen en slippers.

    Met dank aan de tweedehands kledingbazaar zijn daar nu drie broeken, vier truien, drie T-shirts, één paar nette schoenen, twee paar traditionele winterjurken, twee paar wanten en twee mutsen bijgekomen. En als we over een aantal maanden hopen te vertrekken naar het warme zuiden dan laten we onze wintervacht hier gewoon weer achter.

  • Tikkertje is gratis

    Tikkertje is gratis

    № 14 | Deel 3: Centraal-Azië

    “Maar meneer, ik héb het toch ook goed gedaan?” Vertwijfeld gooit Salim zijn handen in de lucht. “Ik heb er bijna drie weken voor geleerd!” De leraar knikt langzaam. Met een indringende blik kijkt hij de wanhopige jongen aan. Er valt een stilte. “Je luistert niet goed”, zegt de leraar dan zacht. “Ik zei niet dat het niet goed was. Ik zei: je kúnt er een negen voor krijgen. Maar dat is aan jou.” Hij grijnst, en zijn vingers maken het bekende geldgebaar.

    Bovenstaande sluit aan op onze vorige post. Dergelijke praktijken gebeuren hier echt. Te triest voor woorden nietwaar?

    Nu iets waar je wel vrolijk van wordt. Tenminste, wij wel. Loop een willekeurige korte straat af, kijk links en rechts de steegjes in en je bent ze al ergens tegengekomen. Spelende kinderen. Lijkt dit in Nederland op steeds meer plekken een uitzondering te gaan worden, hier is dat geenszins het geval. Grote kans dat daar economische motieven aan ten grondslag liggen. Xboxen zijn duur. Tikkertje is gratis.

    Maar het zijn niet alleen de kinderen die ons vrolijk stemmen. Ook volwassenen en zij die tussen de eerste en tweede groep invallen doen dat. Zwermen puberende scholieren, voorbij schuifelende opaatjes met mantel en bontmuts, verkoopvrouwtjes achter hun groenten en fruit… Zoveel mensen hier op straat. Zoveel te doen. Ontmoetingen, begroetingen, gelach, geschreeuw. Sneeuw en kou lijkt hen niet te deren. De bevolking van Centraal-Azië leeft het liefst op straat.

  • In de bus

    In de bus

    № 13 | Deel 3: Centraal-Azië

    Wat is het hier toch een heerlijk rommeltje. Neem bijvoorbeeld het openbaar vervoer. Spotgoedkoop, want ongeveer dertien eurocent per rit. Je zit dan wel opgepropt in een marsjroetka (маршрутка) maar dat is juist leuk. Een belevenis op zichzelf en één van de beste manieren om erachter te komen hoe het leven hier in elkaar steekt. Er zijn marsjroetka’s in twee groottes: De Hyundai Starex minivan en de Mercedes Sprinter. Ze nemen standaard teveel mensen mee maar dat woord kennen ze niet. Hoe meer mensen, hoe lucratiever voor de chauffeur. Ook wel nodig trouwens, want alle reparaties zijn voor eigen rekening.

    Betalen gaat op een bijzondere manier. Mocht je achterin zitten dan tik je op de schouder van de persoon voor je en overhandigt hem of haar een verfrommeld bankbiljet, wat vervolgens net zo lang naar voren doorgegeven wordt totdat het uiteindelijk bij de chauffeur terechtkomt. Vervolgens komt het eventuele wisselgeld in tegenovergestelde richting jouw kant op. Een andere mogelijkheid is om het geld aan de hulpjongen te geven, wiens taak voornamelijk het open en dichtschuiven van de zijdeur is, en het ‘naar binnen schreeuwen’ van passagiers. Je kunt je wel voorstellen dat deze wijze van betalen in een bijna constant vol busje met steeds in- en uitstappende passagiers (je kunt erin en eruit waar je zelf wilt maar je moet wel schreeuwen) het allemaal nogal onoverzichtelijk maakt. Constant gaan er briefjes heen en weer, en als je in het midden zit ben jij meestal degene die door mag geven. Tik, tik, weer een briefje. Gezellig toch?

    Over gezellig gesproken: sommige busjes doen aan als een heuse huiskamer. Flatscreen tv, reusachtige geluidsboxen, een met stof en leer beklede binnenkant en natuurlijk: muziek! Wil je meer leren over dit land en zijn bewoners, ga dan met de marsjroetka. Alles komt voorbij. Schoolkinderen in stemmig schooluniform en donkere jas (vrolijke kinderjassen zie je hier nauwelijks), opa’s met vierkant moslimhoedje en kabouter Plop-baard, dames in bontjassen en bontjurken, zakenmannen en werklui, giechelende pubermeisjes en soms, heel af en toe, een paar verdwaalde westerlingen.

    Het openbaar vervoer is hier dus behoorlijk anders dan in Nederland. Minder georganiseerd en minder strak. Alles kan, zo lijkt het. Dat laatste geldt trouwens zéker voor het verkeer in het algemeen, en de rijstijl in het bijzonder. De meest ongelooflijke en uitermate onverantwoorde manoeuvres (waarvoor je in Nederland je rijbewijs onmiddellijk mag inleveren) vinden hier om de haverklap plaats. Tegen het verkeer inrijden bijvoorbeeld, of op een drukke tweebaansweg een auto inhalen die zelf óók aan het inhalen is, levensgevaarlijk afsnijden, plotseling stilstaan midden op de weg, dat soort dingen.

    Wat er aan verkeer zoal rondrijdt is een interessante mengelmoes van ongelooflijk oud tot twijfelachtig nieuw. Een dikke V8 Toyota Landcruiser is een normaal gezicht (meestal van één van de talloze ngo’s hier) en ook Porsches en Lexussen zijn geen uitzondering. Zelfs Ford Mustangs, Hummers en een Audi R8 hebben we gespot. Meer gangbaar echter zijn de oudere modellen Opel Astra en Mercedes-Benz. Gangbaar is niet helemaal het juiste woord. Ze zijn all over the place. Duitse degelijkheid doet het hier goed. Af en toe zien we zelfs een Opel of Mercedes met een ‘NL’ sticker achterop. Leuk toch? Een derde, niet te vergeten automerk is de Lada. Niet alleen favoriet onder de gewone burgers, ook het halve wagenpark van de politie bestaat eruit. In welk land zie je dat nou nog: een blauwwitte ouwe gare Lada (inclusief reusachtige zwaailamp), een statige verkeersagent ervoor met een enorme, bovenmaatse pet op zijn hoofd en een rode staaflamp in zijn hand, speurend naar automobilisten om smeergeld af te troggelen? Wel, welkom in Centraal-Azië!

    Smeergeld en corruptie. Ja, helaas. Ook dat is Centraal-Azië. Volgende keer meer hierover.

  • Pizza met brood

    Pizza met brood

    № 12 | Deel 3: Centraal-Azië

    “For decades—centuries even—much of the world has regarded Central Asia a little more than a blank on the map, synonymous not with the centre of Asia but with the middle of nowhere.”

    Zo begint de inleiding over Centraal-Azië in de Lonely Planet. En, wees eerlijk, wat weet jij van dit deel van de wereld? Voor ons was het voor we hierheen gingen precies zoals de LP het beschrijft: niet veel meer dan een witte vlek op de kaart. Wat we wisten was dat het ergens tussen Rusland en China ligt, dat het veel onherbergzame gebergtes heeft en dat er herders met spleetogen en bontmutsen moeten rondlopen. En ja hoor—zoek maar eens plaatjes—dat klopt. Maar Centraal-Azië is meer. Wat? Daarover zullen we de komende maanden schrijven. Over onze ervaringen in een deel van de wereld waar je weinig tot geen toeristen ziet en dat, behalve Afghanistan, nagenoeg nooit in het nieuws komt.

    Deze keer willen we iets vertellen over het eten. We citeren opnieuw de Lonely Planet:

    “Food should not be the main reason you come to Central Asia.”

    Nee, een culinair paradijs is het hier inderdaad niet. Maar dat hadden we ook niet verwacht. Omdat de mensen die hier wonen overwegend arm zijn, is het eten eenvoudig, en—omdat het leven zwaar is en de winters koud—vooral basic. Denk aan vette soep, wortels, uien, aardappels en yoghurt. Daarnaast krijgen we met enige regelmaat ош geserveerd (spreek uit als ‘osj’), hét regionale gerecht. Osj bestaat uit in olie gebakken rijst met wortel, ui en pietepeuterige kleine stukjes vlees. Van dit vlees moet je je überhaupt niet al te veel voorstellen. Het is vettig en taai en bevat in de meeste gevallen meer bot dan vlees omdat het afvalvlees uit het westen betreft. Kwaliteitsvlees is hier een absoluut luxeproduct. De enige uitzondering hierop is misschien de shaslick, een lekkernij die op straatbarbecues voor niet al te hoge prijzen te verkrijgen is.

    Een aantal weken terug hebben we een bevriend gezin meegeholpen met het inmaken van tomatensaus voor de winter. Dit klinkt eenvoudiger dan het was. Enorme bergen tomaten, uien, paprika’s, aubergines en knoflookteentjes zijn er doorheen gegaan. Geschild, in stukjes gesneden en daarna gekookt in een reusachtige pan. Het hele project duurde twee dagen. Resultaat: zestig liter pastasaus. Groenten inmaken wordt in de herfst door wel meer mensen gedaan. Veel groenten, zoals tomaten, zijn ‘s winters namelijk niet meer verkrijgbaar of peperduur. Ook met fruit is dit zo. In oktober hebben we veel druiven gegeten maar nu in november zie je ze al haast niet meer. In feite heel normaal natuurlijk. Het seizoen bepaalt wat er te krijgen is. Er wordt wel voedsel geïmporteerd, maar alleen expats en rijken kunnen dit zich veroorloven. Er zijn geen havens in Centraal-Azië en aanvoerroutes over land zijn lang en bergachtig. Invliegen is uiteraard ook duur, wat dus betekent dat voor de meeste mensen de maaltijden simpel en eentonig zijn.

    Tot slot nog iets over het brood. Bij elke maaltijd wordt нон (non) geserveerd: een soort afgeplat, rond stokbrood. Dit brood eet men werkelijk met alles en is onlosmakelijk verbonden met de cultuur. De bedoeling is dat je het brood mét het gerecht eet. Dus: soep met brood, rijst met brood, gebakken aardappels met brood, pizza met brood… Pizza zei je? Maar pizza ís toch…

  • Duizelingwekkend Dubai

    Duizelingwekkend Dubai

    № 11 | Deel 2: Midden-Oosten

    Na slechts een uurtje vliegen landen we letterlijk in een andere wereld: Dubai. Geen geblokt internet meer. Geen chaotisch verkeer. Geen verplichte hoofd-, arm- en beenbedekking voor G.. En geen constante, starende blikken. We herkennen de bekende fastfoodketens waarvan je weet hoe het smaakt. We zien de Carrefour. We horen Engels om ons heen. Lezen Engelse teksten. Zien mannen in korte broeken. En ja hoor: we kunnen weer pinnen. Wat een vrijheid. Wat een gemak. En wat een verschil met Iran. Dit. Heet. Luxe.

    Even omschakelen

    Extravagante luxe, om precies te zijn. Nadeel: de prijzen zijn er ook naar. Het verschil met het spotgoedkope Iran had niet groter kunnen zijn. De taxichauffeur bij de aankomsthal lacht ons hartelijk uit als we een voorstel doen van vijfentwintig dirham voor een kort ritje naar Dubai Festival City, het dichtstbijzijnde winkelcentrum. De prijzen beginnen bij vijfendertig, en dat alleen om de meter te laten lopen. Theoretisch gezien kunnen we ook met de bus, maar daarvoor heb je een red-, silver- of gold card nodig, verschillende soorten ov-kaartjes die alleen bij de vertrekhal te koop zijn. En die is een heel eind verderop, wat in de weinig plezierige woestijnhitte van Dubai geen leuk wandelingetje is. Maar, zo vertelt een vriendelijke man bij de bushalte ons, als je het terrein van de luchthaven afloopt en dán een taxi pakt is het de helft goedkoper. Een goede tip. Ook dat is warm met een backpack op je rug (al zijn die van ons gelukkig niet al te zwaar) maar het is minder ver lopen dan naar de vertrekhal. Uiteindelijk vinden we een Ethiopische taxichauffeur die ons voor dertig dirham naar Dubai Festival City wil brengen. Prima. Even de airco opzoeken. Daar aangekomen blijkt dat er ook een Ikea is. Wat is dat leuk om te zien zeg. Overal winkelende expats waardoor je in eerste instantie denkt dat je gewoon in de Ikea van Amsterdam of Duiven bent. Niets is minder waar. Opeens zijn daar de Filippijnse en Keniase nanny’s met de kinderwagens, braaf meelopend achter de zwart-witte Emirati’s: de man in een witte jurk en de vrouw in een zwarte boerka. Zelfs haar ogen zie je niet.

    Mohsen

    ‘s Avonds worden we opgehaald door Mohsen, onze gastheer voor drie nachten. Lang leve couchsurfing. Terwijl we ons comfortabel laten wegzakken in de diepe stoelen van zijn BMW en de skyline van Dubai aan ons voorbij glijdt, vertelt Mohsen in het kort zijn verhaal. Hij komt uit Egypte en is hierheen gekomen voor werk. Hij heeft een goede baan bij een grote kledingketen. Mohsen vindt het hier fijn wonen en heeft veel vrienden. Alleen beginnen de huurprijzen de pan uit te rijzen. Zelfs de kleine studio die hij huurt is al peperduur, en dat is in Dubai International City, wat nog verder is dan de laatste metrohalte. Het centrum met zijn beroemde skyline is alleen voor de superrijken.

    Groot, groter, grootst

    De volgende dag ontdekken we het oude, oorspronkelijke Dubai, varen we voor één dirham met een bootje over de Creek en bezoeken we de Dubai Mall, het grootste winkelcentrum ter wereld. Daarbinnen bevindt zich, naast een verbluffende hoeveelheid winkels, het grootste aquarium ter wereld en daarbuiten spettert de Dubai Fountain, de grootste fonteinshow ter wereld. En die ligt weer aan de voet van de Burj Kalifa, de hoogste tóren ter wereld. Ook brengen we een bezoek aan Level 43, een rooftopbar met misschien wel het duurste glas water ter wereld: vijf euro! Geen lang bezoek dus, maar het uitzicht over de stad is prachtig.

    Te warm

    Dubai. Tja, wat moet je ervan zeggen? Mooi om eens te zien en te ervaren maar nee, geen stad voor ons. Al is het alleen al om de temperatuur. Zevenendertig graden toen wij er waren, wat voorjaarstemperaturen zijn voor Mohsen. Lekker temperatuurtje voor een dagje strand, vertelt hij, want in de zomer wordt het hier pas echt smoorheet. Blij dat we er zijn in oktober, denken we allebei. Zevenendertig graden is met die hete, droge woestijnwind warm genoeg voor ons. Na vijf minuten lopen ben je al kleddernat van het zweet. Reden om de dag erop lekker ‘thuis’ te blijven in Mohsen’s airco-gekoelde appartement. Even heerlijk skypen met familie en via de telefoon Indiaas eten bestellen—wat precies pittig genoeg was voor Joost Jan en iets te pittig voor G.

    Na een paar dagen genieten van de luxe van Dubai stappen we opnieuw op het vliegtuig. Op weg naar een nieuwe horizon. Dag Dubai! Hallo Centraal-Azië!

  • Hartelijkheid met een hoofdletter

    Hartelijkheid met een hoofdletter

    № 10 | Deel 2: Midden-Oosten

    Geloof het niet. Het is gewoon niet waar. Alle vooroordelen en misvattingen verdwijnen als sneeuw voor de zon zodra je Iran binnenkomt. Nee, je hoeft niet levensmoe te zijn als je hiernaartoe reist. Nee, je wordt niet gekidnapt door griezelige terroristen. Nee, je wordt niet gevangen gezet omdat je kleding niet deugt en nee, je wordt ook niet uitgescholden omdat je een westerling bent. Juist het tegendeel is waar. Wildvreemde mensen bieden je thee met koekjes aan, of zelfs een hele maaltijd. Ze nodigen je uit in hun huis. Ze knopen gesprekjes met je aan op straat, of heten je spontaan welkom in hun stad. En in restaurants kan het zomaar gebeuren dat iemand anders al voor jouw eten heeft betaald. Ook is het niet uitzonderlijk dat je ‘s avonds op je hotelkamer een briefje onder de deur toegeschoven krijgt met daarop een uitnodiging. Of dat iemand je de hele dag rondleidt, alles voor je betaalt en herhaaldelijk weigert om geld in ontvangst te nemen. Nergens ter wereld hebben we hartelijkere mensen ontmoet dan in dit land. Ongelofelijk gastvrij, uitzonderlijk behulpzaam en ontzettend vriendelijk. Geen enkel moment hebben we ons ongemakkelijk gevoeld. Iran schijnt zelfs één van de veiligste landen ter wereld te zijn. En dat geloven we graag.
    Het is bijna onmogelijk om ons vierweekse bezoek aan het uitgestrekte, bergachtige Iran samen te vatten in een verhaal als dit maar vooruit, we doen een poging. We kunnen lang niet alles beschrijven maar in ieder geval kunnen we weergeven welke indruk Iran op ons achtergelaten heeft.

    Azerbeidzjan

    Ons plan is om Iran van noord naar zuid te doorkruisen, met de bus. We beginnen in het noordelijke plaatsje Bazargan aan de grens met Turkije en vanaf daar reizen we via Maku naar Tabriz. Deze noordwestelijke provincie, Azerbeidzjan, heeft een heel eigen taal en cultuur. De taal, Azerbeidzjaans, is verwant aan het Turks en aan het buurland met dezelfde naam: Azerbeidzjan. Wees voorzichtig om deze mensen Iraniërs te noemen want sommigen voelen zich echt op hun teentjes getrapt. Het is ook de regio met het meest milde klimaat van het land en het meeste groen. Al moet je jezelf bij dit groen ook weer geen sappige Hollandse weiden voorstellen want in Iran is het voornamelijk heel erg droog.

    Verkeer

    Het chaotische verkeer, erg kenmerkend voor Iran, is even wennen. Alles kan, zo lijkt het. Aan strepen op de weg of verkeerslichten houdt men zich nauwelijks. Complete gezinnen op één motorfiets waarbij zelfs het jongste kind nog geen helm draagt, auto’s zonder verlichting, motors op de stoep, vier rijen auto’s op een tweebaansweg, je ziet het allemaal. Als voetganger is het opletten geblazen want je bungelt helemaal onderaan de pikorde. Dit maakt oversteken elke keer weer een uitdaging. Af en toe is het om razend van te worden. We snappen nu wel waarom Iran helaas zo hoog scoort wat betreft het aantal verkeersdoden per jaar. Iedereen doet maar wat.

    Luchtvervuiling

    Ook de luchtvervuiling is een ding hier. Vanwege de sancties en het bijbehorende importverbod voor westerse auto’s zijn de meeste auto’s, bussen en vrachtwagens in Iran stokoud en vreselijk milieuvervuilend. Iran heeft wel wat eigen autofabrieken maar ook deze blinken niet bepaald uit in milieuvriendelijkheid. Het straatbeeld is een interessante mix van oude motorfietsen, Iraanse automerken als Paydan en Saipa, de alomtegenwoordige Peugeot Pars (een Peugeot 405 variant), geïmporteerde merken uit Azië en heel veel antieke Mack en Mercedes vrachtwagens uit de jaren vijftig of zestig. Daarnaast rijdt er ook nog wat Russisch spul rond. Voor liefhebbers van oude auto’s is Iran zeker een interessant land.

    Nieuwe vrienden

    In Tabriz, de hoofdstad van de provincie Azerbeidzjan, maken we veel vrienden. Zo brengen we een paar fantastische dagen door met Merhad, Nadir en Hadi, drie jonge schoenverkopers die we ontmoeten in de schoenenbazaar. Deze ontmoeting komt tot stand op een manier die in Iran heel gebruikelijk is. Het begint allemaal met ons bijna dagelijks terugkerende ritueel: de wifi-jacht. Terwijl we zoekend en vragend over straat lopen worden we door iemand aangesproken in de Iraanse standaardbegroeting Engels: “Hello, are you foreigner? Whereareyoufrom? Welcome to Tabriz!” We maken van de gelegenheid gebruik om te vragen of hij een plek weet waar gratis wifi is. Dat weet hij wel. We volgen hem en hij brengt ons bij schoenverkoper Nadir. Met Nadir lopen we mee naar het schoenenwinkeltje van zijn broer Rasool. Daar kunnen we op internet. Ondertussen worden we voorzien van water, toffees en bananen. Mehrad, een vriend van Nadir die goed Engels spreekt, fungeert als tolk. Al snel blijkt dat de jongens, tussen het verkopen door, de hele dag niets anders dan dom ouwehoeren en de gek met elkaar steken. Dat begrijpen we wel. Je moet toch wat als je heel de dag op een stoeltje in je winkeltje zit, nietwaar? We vinden het vreselijk gezellig. Tussendoor neemt Nadir ons mee voor een traditionele, voortreffelijke lunch. Nee, geen Iraanse lunch, een Azerbeidzjáánse lunch. We blijven bijna de hele dag in de schoenenbazaar rondhangen. Telkens moeten we weer in een ander winkeltje zitten, kennis maken met andere verkopers en elke keer krijgen we van alles toegestopt. De dag erna roken we met Mehrad, Nadir en Hadi ‘s avonds waterpijp in het El Shah Goli park en fietsen we een rondje op de racefiets van Nadir, die profwielrenner wil worden. De jongens helpen ons nog om de tent op te zetten (we slapen een nachtje in het park) en daarna nemen we uitgebreid afscheid.

    G. en het geheime vrouwenfeest

    De volgende ochtend, net nadat we de tenten hebben opgerold en we met onze backpacks op de rug door het park lopen, ontmoeten we Ali, een gepensioneerde vijftiger die een rondje aan het hardlopen is. Hij nodigt ons uit bij hem thuis en dat aanbod kunnen we onmogelijk weigeren. We maken kennis met zijn vrouw Afzane die ons onmiddellijk een ijskoude vruchtendrank en een rijkelijk gevulde fruitschaal voorzet. Natuurlijk mogen we blijven slapen en de volgende dag wordt G. spontaan uitgenodigd voor een besloten vrouwenfeest. Het is een ultieme gelegenheid om het ware Iran te kunnen zien: de hoofddoeken gaan af, het eten komt op tafel, de muziek gaat aan, er wordt gedanst, gelachen en gezongen. De vrouwen zien er zeer westers uit met hun make-up, modieuze kleding en zelfs de neuzen doen westers aan. Al komt dit laatste door de vele neuscorrecties die hier plaatsvinden. Een chirurgische ingreep die volstrekt niet zonder gevaar is. Sommigen verliezen er zelfs hun reukvermogen door. Waarom de Iraanse vrouw juist op de westerse vrouw wil lijken is ons een raadsel want onder hun hidjab zien veel Iraanse vrouwen er vaak oogverblindend uit. Feestjes zoals deze vinden meestal plaats in afgelegen villawijken die daar speciaal voor gebouwd zijn en waar eigenlijk niemand woont. Dergelijke feesten zijn namelijk net als alcohol en drugs officieel verboden. Niet dat alcohol en drugs onverkrijgbaar zijn trouwens. Je moet alleen weten hoe. Alcohol wordt óf gesmokkeld uit bijvoorbeeld Armenië óf illegaal gebrouwen en als je je bedenkt dat Iran naast de grootste opiumproducent ter wereld ligt dan snap je wel dat ook dit vrij makkelijk te verkrijgen is. Het schijnt zelfs dat menig vrachtwagenchauffeur in Iran al opium rokend achter het stuur zit…

    Grotwoningen

    Wat Turkije heeft in Cappadocië, heeft Iran in het plaatsje Kendovan: grotwoningen. Het verschil met de grotwoningen in Turkije is dat hier nog steeds mensen wonen. Het is een erg bijzondere plek om te zien. Allemaal puntige, driehoekige huisjes en een wirwar van steile paadjes die tussen de huisjes omhoog lopen waar kinderen op ezeltjes heen en weer sjokken. Wat een werk moet het geweest zijn om deze huizen te bouwen. En wat een hard leven! Zeker in de winter, want hier kan het best wel koud worden.

    Perzisch tapijt

    De kleurrijke bazaar van Tabriz is ook de moeite van een bezoekje waard. Dit is tenminste een authentieke bazaar, in tegenstelling tot die van Istanboel. We worden, ondanks verwoede pogingen tot weigeren, een Perzische tapijtwinkel binnen getrokken waar we alle soorten en maten tapijten te zien krijgen, inclusief bijbehorende prijs. Ja, het is écht heel mooi en kunstig gemaakt vinden we, en nee, het past écht niet in onze backpacks.

    Hamedan

    Na Tabriz gaat de reis naar Hamedan, het vroegere Susan in de tijd van de Bijbel. Daar bezoeken we de tombes van Ester en Mordechai, een absoluut kippenvelmoment. Nog steeds wonen hier Joden, al zijn het er lang niet meer zoveel als vroeger. Ook zijn er veel Koerden in deze stad, die dichtbij Iraans-Koerdistan ligt. Door een Koerdische familie die aan het picknicken is in een parkje krijgen we een falafelbroodje in onze handen geduwd. Weigeren heeft geen zin. We blijven ons verbazen over de gulheid van al die lieve mensen hier! Hoewel—kanttekening—soms kan er ook sprake zijn van tarof: iets aanbieden uit beleefdheid maar niet gemeend. Word iets na twee of drie keer weigeren niet opnieuw aangeboden dan kun je ervan uitgaan dat het tarof was. Maar dat hebben we, voor zover we kunnen beoordelen, slechts sporadisch meegemaakt.

    De regering en de inwoners van Iran

    Via Qazvin en de nabijgelegen ruïne van Alamut komen we terecht in de miljoenenstad Teheran. Een stad die een beetje te groot en te druk is voor ons, wat reden is om er niet al te lang te blijven. We bezoeken een paar interessante plekken waaronder de fraaie Tabi’at-brug (een architectonisch hoogstandje) en de schrijn van voormalig leider Khomeini. Een bizarre plek. Kosten noch moeiten zijn gespaard om er een buitenproportioneel ‘heiligdom’ van te maken. Het gerucht gaat dat er zelfs mensen voor worden betaald om hier de hele dag te huilen. Of dat waar is weten we niet. We krijgen er een beetje een naar gevoel van om hier te zijn. Iran is prachtig maar de standpunten van haar regering zijn dat nou niet bepaald. We zijn niet de enige die dat vinden. Ook veel Iraniërs moeten niets van hun leiders hebben. De agressieve opstelling naar het buitenland en de religieuze wetten worden door velen gehaat en verafschuwd. In de vier weken die we in Iran zijn geweest hebben we met veel Iraniërs hierover gepraat. Bijna allemaal nemen ze afstand van de regering. Sommigen zelfs heel openlijk. Iraniërs spreken altijd over ‘the government of Iran’ en ’the people of Iran’, een belangrijk onderscheid wat goed is om te maken. Het zou het land geen recht doen als je alleen spreekt over dat wat er allemaal niet mag en het beeld dat de media van Iran schetst. Dit is maar één kant van het verhaal, waarschijnlijk vooral dankzij de voormalige en ook de huidige leider. De ’twins’, zo worden ze spottend genoemd. Khamenei wordt met zijn paranoïde oorlogsretoriek soms openlijk voor gek versleten. Een enkele keer spreken we mensen die het wél met de regering eens zijn, zoals de twintigjarige Lucky. Hij werd helemaal lyrisch over de kracht en grootsheid van zijn land en vond dat alle Irakezen en Arabieren dood moesten. Ja, dat is natuurlijk ook een standpunt.

    Land van contradicties

    Al rondreizend door Iran ontdekken we dat er zoveel tegenstrijdigheid is hier. Een vreemd soort dubbelheid die je overal tegenkomt. Aan de ene kant zijn er de strikte moslims die we kennen uit de media: in het zwart gesluierde vrouwen en vrome mullah’s. En aan de andere kant de vrijgevochten Iraniërs die de regels wel lijken te volgen maar ondertussen precies weten hoever ze kunnen gaan in het omzeilen ervan. Zo is buitenlandse televisie verboden en zijn veel westerse internetsites ontoegankelijk maar heeft bijna iedereen een satelliet en VPN. Alle sociale media zijn geblokt maar één van de hoogste leiders zit op Facebook. Iran zit vol met dit soort interessante tegenstellingen. ‘Het land van contradicties’, zo typeert buitenlandcorrespondent Thomas Erdbrink treffend. In de schitterende, vierdelige serie “Onze man in Teheran” laat hij diverse kanten van het land zien, waardoor je een goed en evenwichtig beeld krijgt van Iran.

    Medereizigers

    Na Teheran voert de weg ons naar het dorre, woestijnachtige zuiden. We bezoeken de eeuwenoude, historische plaatsen Esfahan en Yazd. In Esfahan verblijven we bij de relaxte Javid, die een enorme kelder heeft, speciaal voor couchsurfers. In deze kelder ontmoeten we ook weer veel andere reizigers, waaronder Sebastián uit Frankrijk. Hij is aan een reis begonnen zonder eind, zoals hij het zelf noemt. Het kan twee jaar duren of vijf jaar of misschien ook wel veel korter. Het meest interessante vinden we dat hij heel langzaam reist. Geen haast, geen druk, we zien wel. Een heerlijke houding. Van hem, maar ook van andere reizigers in Iran horen we goede verhalen van Armenië en Georgië. De natuur moet er schitterend zijn en de wijn heerlijk. In de kelder van Javid ontmoeten we ook een meisje dat aan slacklining op hoogte doet, een werkelijk bizarre sport! Zoek maar eens op op YouTube. Het is lopen over een strakgespannen breed koord maar dan niet in een circus of gymzaal maar over een ravijn van tientallen meters diep… De categorie extreme sporten dus. Ze laat een filmpje zien waarin zijzelf op een slackline tussen twee bergen loopt en halverwege haar evenwicht verliest. Gezekerd met extra touw, dat wel, maar dan nog. Niets voor ons, zo besluiten we.

    Yazd

    Het beroemde, door velen reeds bejubelde Esfahan is prachtig, maar de wat onbekendere woestijnplaats Yazd is dat zeer zeker ook! Een echt Timboektoe-gevoel (is dat een woord?) krijg je hier, met al die huisjes van zand en klei en sprookjesachtige steegjes. Typisch ook zijn de talloze windtorens die je hier op veel daken ziet. De wind die van bovenaf door deze torens blaast zorgt voor gratis verkoeling in het gebouw. Niet zonder reden want het kan hier akelig warm worden. Zelfs in september, de maand dat wij er zijn, is het nog vijfendertig graden. Dat is nog niets bij de temperaturen in de zomer, zo verzekert Jud ons. We leren Jud kennen via couchsurfing. Hij leidt ons rond langs een paar bijzondere plaatsen en bij zonsondergang beklimmen we de ‘silent towers’ van Yazd, een overblijfsel uit het Zoörastistische tijdperk. Vroeger werden mensen hier niet begraven, maar op de top van deze heuvel neergelegd waarna hun overblijfselen werden opgevreten door de aasgieren. Vrij luguber. Pas vijftig jaar geleden is deze praktijk officieel verboden verklaard.

    Hafez

    Onze laatste week in Iran brengen we door in Shiraz, stad van rozen, poëzie en nachtegalen. Natuurlijk kunnen we Iran niet verlaten zonder een bezoek aan het mausoleum van Hafez. Hafez was één van Iraans meest befaamde dichters. Door een luidspreker worden zijn gedichten op een schitterende, zangerige toon voorgedragen. Jammer genoeg zegt het ons niet zoveel want zo goed is ons Farsi niet. Het is dan ook niet zo’n lang bezoek, cultuurbarbaren die we zijn.

    Persepolis

    In Shiraz gaan we ook naar de Nasir-al-Molk moskee, die met zijn beroemde glas-in-lood ramen (glas-in-hout om precies te zijn) een betoverende uitstraling krijgt als de zon erop schijnt. Het oude Persepolis is eveneens iets wat je niet mag overslaan. We raken onder de indruk van deze plek. In een plaatjesboek in de souvenirshop zien we hoe Persepolis er toen moet hebben uitgezien en al lopend tussen de overblijfselen beseffen we hoe bijzonder dit paleizencomplex moet zijn geweest, zeker voor die tijd! In Persepolis ervaren we opnieuw wat we in de afgelopen weken al vaker hebben ervaren: een soort verhoogd bewustzijn van de plek waar je bent. Er is zoveel geschiedenis op deze plek. Wat moet zich allemaal wel niet hebben afgespeeld tussen deze bergkammen?

    Hartelijkheid met een hoofdletter

    Na een heerlijke ontspannen week in Shiraz nemen we hartelijk afscheid van de geweldige Iraanse familie waar we zolang verbleven hebben: Mehdi, Noosha en hun grappige zoontje Artin. We zijn hen intens dankbaar voor alles wat ze voor ons hebben gedaan: de fantastische maaltijden, het heerlijke ontspannen verblijf in hun luxe appartement en allerlei andere dingen. Zo trakteerden ze ons een paar keer op een etentje in een restaurant, bezochten we een overdekte speelhal en was Mehdi bijna de hele week onze chauffeur. Voor Iraniërs geldt: hartelijkheid schrijf je met een hoofdletter. Een hele grote.

    Afscheid

    Met dit afscheid nemen we ook afscheid van het land. Wat een geweldige weken waren dit. Juist door veel te verblijven bij de inwoners zelf hebben we zoveel interessante dingen gezien en geleerd. Zaken die we nooit hadden kunnen ervaren als we alleen maar in hotels hadden overnacht. We hebben Iran leren kennen als een land met een ongelofelijk gastvrije bevolking die altijd en overal voor je klaar staat. Een veilig land (onthoud dit!) wat heel erg open staat voor toerisme en waar duizelingwekkend veel te zien en te beleven valt. Iran is elk bezoek meer dan waard!

    Besef van vrijheid

    Helaas, en ook dit is waar, is Iran nog steeds een land waar de bevolking lijdt onder de strenge wetgeving en de censuur. Het is vaak moeilijk voor mensen om hun dromen na te jagen en te doen wat hun hart verlangt. We hebben hier een paar voorbeelden van gehoord. En dán besef je wat vrijheid is! Zoveel dingen zijn hier verboden en zoveel kansen worden de mensen ontnomen. Met name voor de minderheden, en dat zijn er nogal wat, is het heel zwaar in Iran. We hebben een enorm respect gekregen voor de veerkracht en de positiviteit van haar inwoners. We hopen dat Iran snel (weer) het land wordt dat veel inwoners willen dat het wordt: vrij en open en met een uitgestoken hand naar de wereld.

  • Aan de voet van de Ararat

    Aan de voet van de Ararat

    № 9 | Deel 2: Midden-Oosten

    We kijken. Nee, we turen. Stoten elkaar aan. Is dat…? Zou dat…? Onze harten beginnen sneller te kloppen. Beelden van een boot vol beesten verschijnen op ons netvlies. We zien de kinderbijbelprenten met regenboog, olifanten en giraffen weer voor ons. We kunnen de hamerslagen van Noach bijna horen. We verbeelden ons dat we de besneeuwde bergtop van de reusachtige, vijfduizend meter hoge Ararat recht voor ons zien opdoemen…

    Sterrenhemel

    We knipperen met onze ogen. We verbeelden ons helemaal niets! Het is ‘m echt! Hoe dichter we de grensplaats Doğubayazıt naderen, hoe groter de Ararat wordt. Vanuit het niets eigenlijk, want eromheen is het volkomen vlak. Ekrem, de Tadzjiekse vrachtwagenchauffeur met wie we nu al voor de tweede opéénvolgende dag onderweg zijn, merkt onze opwinding op. “Ah! Ağrı Dağı!” Hij knikt bevestigend en glimlacht. We kunnen weinig met elkaar praten vanwege de taalbarrière. We spreken nu eenmaal geen Koerdisch, Turks en Tadzjieks, talen die hij wel beheerst, en hij geen Engels. Maar met de enkele woordjes die we wel met elkaar gemeen hebben en een hoop non-verbale creativiteit kom je een heel eind! ‘s Avonds klappen we onze tent uit op ongeveer dezelfde plek waar ooit ook Noach zijn tent moet hebben opgezet: aan de voet van de Ararat. Het verschil is alleen dat wij op het dak van een chauffeursrestaurant slapen, wat er toen hoogstwaarschijnlijk nog niet was. En dat we geen wijngaard konden vinden. De sterrenhemel is echter nog even indrukwekkend als hij toen geweest moet zijn. Wat ongelofelijk mooi! Liggend op onze rug kunnen we hele melkwegstelsels ontwaren. Het is één van de meest bijzondere overnachtingen van onze reis tot nu toe.

    Usam

    Drie dagen eerder zijn we vertrokken vanuit Istanboel. Eerst met de metrobus en de metro naar de outskirts van de Aziatische kant van de stad, en daarna nog een stukje lopen naar de oprit van de hoofdweg richting het oosten. Het duurde even voordat we een lift te pakken hadden, wat we min of meer ook wel hadden verwacht. Uit een stad wegkomen kan best even lastig zijn. Maar gelukkig, de lift die we plotseling kregen was ook gelijk een hele goeie! We maakten ons voor niets zorgen over de niet al te gunstige plek waar we stonden (weinig stopruimte) want de vrachtwagen stopte gewoon midden op de weg. Maar liefst driehonderd kilometer konden we meeliften in de goede richting. De chauffeur, Usam, was—in konvooi met twee collega’s—met een lading diepvrieskip onderweg naar Irak. Ergens onderweg bij een chauffeursrestaurant trakteerden ze ons op een uitgebreide en voortreffelijke lunch en—raadt eens—verscheidene kopjes çay. Bij de afsplitsing naar Ankara besluiten we uit te stappen want we willen graag de meest noordelijke route, de D100, volgen. Ook deze weg zal ons uiteindelijk in Turks-Koerdistan doen belanden, maar niet in het momenteel erg onrustige zuidoostelijke deel ervan.

    Suleiman

    De zon is al bijna onder als we midden op de splitsing van twee hoofdwegen aan het besluiten zijn wat ons te doen staat. Proberen een lift naar Gerede te krijgen, de meest nabije plaats? Of doorliften? Tijd om een besluit te maken hebben we niet. De eerste twee vrachtwagens die langsrijden stoppen allebei. We lopen naar de dichtstbijzijnde, een tankwagen. Geladen, zo te zien, want de oranje gevarenbordjes staan uit. De chauffeur blijkt in de goede richting te gaan en maant ons met een hoffelijk gebaar om in te stappen. Tot één uur ‘s nachts rijden we door, dieper en dieper Turkije in, met een vriendelijke volle maan die ons vergezelt. Als onze held, Suleiman, zijn wagen een parkeerterrein oprijdt en met een sissend geluid op de handrem zet, zegt hij dat we gerust in de cabine kunnen overnachten. Hij staat zijn bed af aan ons om zelf in het bovenste bed te kruipen. Protesteren is er niet bij! We zijn overrompeld door deze gastvrijheid. Misschien wat krap maar beter direct een lekker warm matras dan eerst nog een plek voor de tent te moeten zoeken en het hele spul te installeren. We zijn Suleiman enorm dankbaar en al snel liggen we alle drie te ronken.

    Ekrem

    De volgende dag krijgen we een heerlijk ontbijt met omelet en opnieuw wordt ons verboden onze portemonnee te trekken. We kunnen nog een uurtje meerijden tot Amasya, waar zijn losadres zich bevindt. Amasya blijkt een mooie plaats te zijn met een prachtig gebergte op de achtergrond. We nemen afscheid van Suleiman, steken een kruispunt over en zoeken weer een geschikt liftplekje. Lang staan we er niet. Na een klein kwartiertje liften seint er een truck met zijn lichten: ik ga stoppen voor jullie. Naarmate de truck dichterbij komt valt ons op dat we het vlaggetje en de landcode links op de kentekenplaat nog nooit eerder gezien hebben. We zien: TJ. En dan weten we het ineens: Tadzjikistan. De chauffeur, Ekrem, die inderdaad uit Tadzjikistan blijkt te komen, gaat in de richting van Erzurum en dat willen wij ook. Voor de derde keer achter elkaar treffen we een enorm gastvrije chauffeur. Ekrem is van Koerdische afkomst en werkt voor een bedrijf uit Mardin, een stad in Turkije dicht bij de Syrische grens. Hij rijdt gigantische afstanden en is wekenlang achter elkaar onderweg. Hij is vanuit de Oekraïne via Turkije, Iran, Turkmenistan en Oezbekistan onderweg naar Tadzjikistan en gaat daarna via Kazachstan en Rusland de kant van Georgië op. Een ‘rondje’ om de Kaspische zee dus.

    Gastvrijheid

    Na een lang stuk rijden stoppen we even bij een groentekraampje, waar Ekrem allerlei verse groenten inslaat. Waarschijnlijk kookt hij onderweg veel zelf. Hij eist dat we twee soorten fruit uitkiezen voor in de cabine. En weer is betalen er niet bij. Zo gaat het de hele dag door, en ook de dagen erna. In deze regio nemen ze het gastheer zijn heel serieus. Iets waar we nog heel veel van kunnen leren! Wat een fantastische cultuur. We snappen nu nog beter waarom Turkije zo’n populair vakantieland is.

    In de buurt van Erzurum, in Oost-Anatolië inmiddels, zit de rijtijd van Ekrem erop en bereiken we een grote truckstop waar we gaan overnachten.

    Garage

    De volgende ochtend blijkt dat er een technisch probleem is: de radiator lekt. Of we het een probleem vinden dat we eerst naar de garage gaan? In het geheel niet, antwoorden we. Het kan makkelijk de hele ochtend duren hoor, waarschuwt hij ons nog. Dat vinden we niet erg. We hebben immers geen haast? Zo zie je maar, reizen is nooit te voorspellen. Bij de garage aangekomen gaat de radiator er in zijn geheel uit en wordt het ding met een servicebusje ter reparatie ergens anders heen gebracht. We maken er maar het beste van en wandelen wat rond op het rommelige industrieterrein. Om ons heen zien we hoge bergkammen aan de horizon en uitgestrekte vlaktes. De lucht is wijds, blauwer dan blauw en lijkt eindeloos. Een totaal ander landschap dan Istanboel. Hier, in het verre oosten van Turkije is het vooral heel erg stil. Anatolië is de grootste provincie van het land en tegelijkertijd ook de provincie met de minste inwoners. Dat merk je. Een heerlijke rust heerst er hier.

    Koerdistan

    Om één uur ‘s middags zijn de problemen eindelijk verholpen en kan de cabine weer terug op z’n plek gedraaid worden. We nemen afscheid van het aardige garagepersoneel en rijden Erzurum voorbij. Niet veel later zijn we in Turks Koerdistan. De bergen worden steeds indrukwekkender en de dorpjes duidelijk armer. We zien veel schaapskuddes, ontzettend veel stalletjes langs de weg en zelfs kinderen op wilde paarden. Het doet denken aan de spannende cowboyverhalen uit de boeken van Arendsoog met al die paarden, smalle, diepe kloven en canyonachtige valleien. De vrachtwagens vinden het hier minder leuk. Af en toe kruipen we letterlijk omhoog, met een slakkengangetje van twintig á dertig kilometer per uur, om daarna met volle snelheid de berg weer af te denderen. Meestal gaat dat in een rechte lijn, maar soms ook zigzaggend om de vele kuilen en gaten te ontwijken. Als chauffeur moet je hier ontzettend goed op je hoede zijn. Het verraderlijke wegdek, overstekende koeien (een paar keer), een kudde geiten (ook een keer), paard en wagen, mensen die op de weg lopen… Een prachtige belevenis is het in ieder geval! Dat het hier in het oosten onrustig is, merken we ook. Op de tv in de eettentjes waar we af en toe stoppen is het onafgebroken in het nieuws en op de weg komen we regelmatig jeeps met militairen tegen. Eén keer zelfs een tank. Ekrem maakt er grapjes over, in de trant van: als je hier vijf kilometer naar rechts gaat kom je midden in de gevechten terecht. PKK. Trrr… Boem! Bij het zien van onze serieuze gezichten moet hij ontzettend lachen, om ons daarna op het hart te drukken dat we in het veilige deel van Koerdistan zijn en niets hoeven te vrezen. Gelukkig maar.

    Doğubeyazıt

    En dan, na uren kilometervreten, verschijnen de eerste borden die de Iraanse grens aangeven. Ook aan de trucks die we tegenkomen is het te zien: veel Iraanse kentekens. Iran zelf gaan we vandaag niet meer halen, maar de berg Ararat wel. We stoppen bij een chauffeursrestaurant aan de rand van de grensplaats Doğubeyazıt, met vrij uitzicht op deze reusachtige berg. Van de patron, een alleraardigst baasje die persé met ons op de foto wil, mogen we op het dak slapen. Maar niet voordat we zo’n vijf glaasjes çay aangeboden hebben gekregen en heerlijk hebben gedoucht. We zetten de wekker op vier uur want Ekrem wil op tijd weer verder. Nog één nachtje slapen en slechts een kilometertje of dertig en dan zijn we er: Iran! Welke avonturen zal dit mysterieuze land ons gaan brengen? Onder één van de mooiste sterrenhemels ooit vallen we in slaap en we dromen van duizenden dieren in allerlei soorten en maten die een groot, houten schip uitwandelen.

  • Overpeinzingen aan de Bosporus

    Overpeinzingen aan de Bosporus

    № 8 | Deel 1: Europa

    “Wordt je wakker G.? Volgens mij zijn we er.” Met een diepe geeuw rekken we ons uit en kijken met slaperige ogen uit het busraampje. We zien moskeeën, wolkenkrabbers en fly-overs. De felle ochtendzon laat het wegdek en de minaretten glinsteren. Dan verlaat de bus de snelweg en draaien we het enorme, werkelijk enorme terrein van Otogar Bayrampaşa op, één van de grootste busstations ter wereld. We zijn in Istanboel. Het is zes uur in de ochtend. Na een Turkse thee en een Turkse koffie pakken we de metro in de richting van het vliegveld en stappen na een halfuur over op de bus richting Beylikdüzü. Een uur later bereiken we de bushalte waar we eruit moeten. We vragen de ober van het restaurant tegenover de bushalte of we onze couchsurfhost, Şahin, mogen bellen. Zijn appartement is vlakbij maar we weten niet precies waar. Onmiddellijk worden we op het terras uitgenodigd. De ober belt voor ons terwijl de directeur van het restaurant regelt dat we thee krijgen. Welkom in Turkije!

    Şahin

    Beylikdüzü blijkt een welvarende wijk van Istanboel te zijn, eigenlijk een stad op zichzelf. Hoge flats, brede boulevards, veel winkelcentra en veel groen. Veel appartementen hebben een zwembad, zo ook het appartement van Şahin. Nadat hij ons opgehaald heeft doen we inkopen bij de supermarkt en daarna wordt het tijd om wat bij te slapen. In de middag worden we weer wakker en maken we kennis met Lalla en Sasha, een avontuurlijk stelletje uit Wit-Rusland dat ook via couchsurfing onderdak heeft gevonden bij Şahin. We spelen met de kat, een gestoord beest dat af en toe als een raket alle kanten op vliegt en daarna gaan we aan tafel om te genieten van een heerlijk ruikende vegetarische maaltijd.

    Louis, Mahmood en Isam

    Twee van de drie flatmates van Şahin, Louis (uit de Dominicaanse Republiek) en Mahmood (uit Syrië) zijn ook aangeschoven. Louis werkt eigenlijk als software-ontwikkelaar in Moskou, maar moest vanwege het vernieuwen van zijn visum even een paar maanden het land uit. Aan tafel vertelt hij over zijn jeugd, die niet altijd makkelijk was. Een harde cultuur en veel sociale problemen, zo leren we. Dat lees je niet in de reisgidsjes over dit Caribische paradijs. Louis is overigens een erg komisch persoon. Alleen al zijn enorme afrokapsel met de onafscheidelijke blauwe kam in het haar doet ons glimlachen. Mahmood is makelaar maar de uitzichtloze oorlogssituatie in Aleppo, waar hij vandaan komt, heeft hem doen besluiten om het land te verlaten. Een bijzonder moeilijke keuze, want in Turkije is hij moederziel alleen, zonder familie en zonder vrienden uit zijn eigen land. Het racisme waar hij elke dag mee te maken krijgt maakt het er niet beter op. Hij is al negen(!) keer van werkgever gewisseld omdat hij steeds, ondanks zijn uitstekende makelaarskwaliteiten en goede kennis van de Turkse taal, slaafs en respectloos behandeld werd, puur en alleen omdat hij geen Turk is. Toch klaagt hij niet en weigert hij in de slachtofferrol te kruipen. Hoe meer we met hem praten, hoe groter ons respect wordt voor deze slimme en dappere jongen die zoveel achter heeft moeten laten. Later in de week ontmoeten we ook de derde flatmate, Isam uit Tunesië, die leraar Engels is. Isam is een gezellig en bevlogen figuur met veel vernieuwende ideeën, vooral over het onderwijs, social media en de politiek. Erg inspirerend om met hem van gedachten te wisselen. Het is zo een interessante mix van culturen bij Şahin in huis. Dit zorgt voor levendige gesprekken en heel veel lol. We roken waterpijp op het balkon, trekken baantjes in het zwembad, struinen tijdens zonsondergang over de boulevard van Büyükçekmece, slapen uit, plagen de psychedelische tijgerkat van onze host en bezoeken het oude centrum met zijn prachtige moskeeën, de toeristische Grand Bazaar, de Galatabrug, de Galatatoren, de Istiklal Cadessi en ook het roemruchte Taksimplein.

    Opkomen voor je volk

    Şahin vertelt over de uit de hand gelopen protesten twee jaar geleden op het Taksimplein en het naastgelegen Gezipark, waar hij zelf ook als demonstrant aanwezig was. Al rondlopend op het plein vertelt hij dat het hem nog steeds veel doet om hier weer te zijn. We voelen zijn onderhuidse woede en realiseren ons tegelijkertijd dat we niet kunnen begrijpen hoe het is om hier te wonen, in een land dat wel democratisch lijkt maar het niet is. Verderop in de week leren we Şahin nog beter kennen. Hij is Koerd en vertrouwt ons toe dat hij moeite heeft om in het betrekkelijk veilige Istanboel te wonen, ver weg van de onrusten in het oosten. Hij voelt zich schuldig en wil meehelpen en meevechten. Opkomen voor zijn volk. Isam, zelf ook afkomstig uit een land vol etnische problemen, steekt hem een hart onder de riem. “Joh”, zegt hij, “alleen al het feit dát je erover nadenkt en je zorgen maakt over andere Koerden zegt al zoveel. Er zijn genoeg mensen die zich helemaal niets aantrekken wat er met hun landgenoten gebeurt en alleen maar aan zichzelf denken. Jij bent tenminste betrokken.”

    Kadıköy

    De Aziatische kant van Istanboel is ook leuk. De overtocht met de veerboot is een aanrader want al varend krijg je een prachtig beeld van deze uitgestrekte wereldstad. En de wind door je haren (nou ja, G.’s haren dan) is een welkome afwisseling met een temperatuur van drieëndertig graden. We bezoeken de fotogenieke en niet-toeristische vis- en groentebazaar van Kadıköy en gaan lekker brutaal naar het toilet in het sjieke Doubletree by Hilton hotel. Op de veerboot terug naar Eminönü (de Europese kant) komen we drie zwerfjongetjes tegen. Ze zijn net voor vertrek aan boord gesneakt maar bij aankomst worden ze door het bootpersoneel en een ongelofelijk boze passagier opgemerkt. Waarschijnlijk heeft hij iets tegen ze gezegd over niet-betalen en gaven ze een grote bek terug. Eén van de drie weet snel op de kade te springen en verdwijnt als een haas. De andere twee worden niet al te zachtzinnig aan hun bovenarmen meegesleurd maar waarschijnlijk slechts voor de vorm want even later, bij een drukke weg komen we het smoezelige, enigszins aandoenlijke drietal weer tegen. Zonder te kijken en met ware doodsverachting steken ze de straat over. Auto’s remmen en toeteren. Als antwoord maken ze vulgaire gebaren. “Alsof hun leven niets waard is hè?”, zegt G.. Ik knik, en moet ineens terugdenken aan de straatkinderen die ik een aantal jaar terug in Brazilië ontmoette. Nu ik dit schrijf gaan mijn gedachten ook naar die andere groep: de vluchtelingen, waarvan we enkelen op onze reis al tegenkwamen en die nu volop in het nieuws te zien zijn. Het is realiteit. Vluchtelingen, bedelaars, zwervers, straatkinderen… Allemaal mensen waarmee we tijdens onze reis mee in aanraking komen. Mensen die uit alle macht proberen te overleven en wanhopig op zoek zijn naar dát waar wij in Nederland nauwelijks nog over na hoeven te denken. Rust, voedsel, onderdak en veiligheid. Het maakt ons stil en beschaamd.

    Liftend richting Iran

    De week in Istanboel vliegt voorbij. Het Iraanse visum staat inmiddels in ons paspoort (een heerlijk gevoel!) en het is tijd om onze reis te vervolgen. Aangemoedigd door de positieve liftverhalen van Şahin, Lalla en Sasha besluiten we om liftend verder te trekken. We zijn benieuwd! Het is moeilijk, afscheid nemen. Maar dat is reizen nietwaar? We zullen de onbaatzuchtige gastvrijheid en de gulle vriendelijkheid van Şahin in iedere geval nooit vergeten. Het ga je goed!

  • Rilski Manastir en Plovdiv

    Rilski Manastir en Plovdiv

    № 7 | Deel 1: Europa

    Na Blagoevrad reizen we verder naar het dichtbijgelegen Рилски Манастир. Of, in het latijnse alfabet: het Rilski Manastir (het Rilaklooster). Want zo is dat dus, reizen naar het oosten. Langzamerhand verandert alles—zo ook het schrift. Viel er in Tsjechië nog wat van de taal te maken, in Hongarije werd dit al minder. In Macedonië en Bulgarije is het helemaal puzzelen geblazen met dat Cyrillisch schrift. Overigens is dit schrift ontstaan in Bulgarije en niet in Rusland, zoals we altijd dachten. Eén van de vele nieuwe dingen die we in de afgelopen tijd geleerd hebben.

    Het Rilaklooster

    Het Rilaklooster is een heilige plek voor Bulgaren en wordt ook wel het Bulgaarse Jeruzalem genoemd. De oprichter is kluizenaar Johannes van Rila, die onder andere twaalf jaar in een grot heeft geleefd. Zijn volgelingen hebben in hetzelfde gebied, het Rilagebergte, dit klooster opgericht. We vonden het een lust voor het oog en een bijzondere belevenis. Vooral ’s avonds, toen de dagjesmensen verdwenen waren en met het vallen van het duister ook de stilte indaalde. Wist je trouwens dat de monniken in dit klooster prachtig kunnen zingen?

    Plovdiv

    Vervolgens ging de reis naar het sfeervolle en stokoude Plovdiv. Vroeger werd Plovdiv Philippopel genoemd, naar de vader van Alexander de Grote. Deze informatie hebben we niet van onszelf maar van Chris van Free Plovdiv Tours waarmee we een paar uur door de stad gewandeld hebben. Zeer leerzaam! Plovdiv blijkt niet alleen in de geschiedenis, maar ook nu nog van grote betekenis te zijn. De stad staat zelfs genomineerd voor de culturele hoofdstad van 2019. Wel, Plovdiv verdient het.

    Authentiek en vol wilde natuur

    We hebben erg genoten van Bulgarije. Het is een land met een prachtige, wilde natuur. Bossen in de mooiste groenschakeringen, ontelbare bruisende riviertjes en veel bergen. De oude Lada is hier nog steeds een veel gebruikt vervoersmiddel en paard en wagen ook. Toch is op veel plekken goed te zien dat Bulgarije met zijn tijd meegaat. Het is een mooie mix van authentiek platteland, wonderlijk natuurschoon en moderne steden die eigenlijk weinig meer onderdoen voor de steden in West-Europa.

    Op naar Istanboel

    Vannacht vertrekken we met de bus naar Istanboel. Alleen de naam al! We kijken enorm uit naar deze bruisende miljoenenstad die meer inwoners heeft dan heel Nederland bij elkaar. We hebben een couchsurfadres gevonden en daar zijn we heel blij mee. Het was niet zo makkelijk om iemand te vinden die nog beschikbaar was, maar dankzij Şahin is het toch gelukt. Weliswaar woont hij helemaal in het stadsdeel Belikdüzü, wat maar liefst veertig kilometer van Taksim en de Bosporus vandaan ligt, maar ach, wat geeft het. Istanboel is Istanboel!

  • Groetjes uit Kumanovo

    Groetjes uit Kumanovo

    № 6 | Deel 1: Europa

    Prizren, Kosovo. Na nog geen tien minuten liften stopt er een felrode Audi S1 voor onze neus, en wel op zo’n manier dat er geen auto meer langs kan. Het zijn Arianit en Haris, die twee geweldig gastvrije jongens blijken te zijn. Ze nemen ons helemaal mee tot aan de grens met Macedonië, wat zeker twee keer zo ver is dan ze oorspronkelijk van plan waren te rijden! Speciaal voor ons maken ze er ook nog eens een hele toer van. Onderweg stoppen we op een populaire picknickplaats in de bergen en in de auto voeren we diepgaande gesprekken over de Balkanoorlog, studie, reizen en couchsurfen. Veel te snel bereiken we de grens.

    Zamet

    Aan de Macedonische kant worden we opgepikt door Zamet, een zakenman die samen met zijn broer twee winkels runt in Skopje. Zijn eerste vraag is waar we vandaan komen, want hij neemt in géén geval Syriërs mee. Daar kun je voor in de gevangenis komen, zo vertelt hij later. Een paar dagen later horen we op het nieuws dat de aanhoudende stroom vluchtelingen ook in Macedonië een enorm probleem aan het worden is. Vandaar die bizarre maatregelen dus.

    Skopje

    Zamet zet ons keurig middenin het oude deel van Skopje af. Ronddolend door de smalle straatjes krijgen we een beetje een idee hoe het hier vroeger geweest moet zijn. Wat een geschiedenis heeft dit deel van Europa toch, realiseren we ons opnieuw.

    Na het regelen van twee bedden in een leuk hosteltje in het oude centrum wandelen we naar het nieuwe deel van de stad aan de andere kant van het water. Deze kant van Skopje is totaal anders. Wel aardig, maar ook een beetje pompeus. Werkelijk overal stikt het van de standbeelden en fonteinen, sommigen zelfs met lichtshows. Voor gezinnen met kinderen ontzettend leuk natuurlijk. We zullen Joost Jan en G. niet zijn als we, het voorbeeld van de kinderen volgend, ook even door zo’n fontein moeten lopen. Eén van ons wordt hierdoor zeiknat. We zeggen niet wie.

    Werkloosheid, frustratie en haat

    De volgende morgen beginnen we vol goede moed aan een nieuwe liftdag en al vrij snel worden we meegenomen door drie aardige jongens die allemaal civiele techniek blijken te studeren. De studenten vinden het erg leuk om mensen uit Nederland te ontmoeten. Ze vragen ons het hemd van het lijf. Als ze vragen hoe het met onze economie is gesteld, willen we bijna automatisch ‘slecht’ zeggen, maar gelukkig kunnen we ons nog net inhouden. Natuurlijk, er is momenteel veel werkloosheid in ons land maar vergeleken met Macedonië is slecht toch echt het verkeerde woord. Het schrikbarende werkloosheidscijfer in Macedonië ligt op 26,9 (!) procent… De jongens zijn begrijpelijkerwijs erg somber over de economie en de toekomst van hun land en verwachten niet dat toetreding tot de EU er ooit nog inzit.

    Dan komt het gesprek op de recente ongeregeldheden in Kumanovo, wat precies de plaats is waar we nu heenrijden. In plaats van somberheid horen we nu vooral frustratie. Of is het haat? “We call them goats”, zegt de jongen achter het stuur, doelend op de Albanezen. “Don’t go to Kosovo! It’s very dangerous there!”, zegt één van de anderen. “Actually, that’s where we just came from”, is ons nuchtere antwoord.

    Kjoestendil

    In Kumanovo houdt ons liftgeluk* op. Dientengevolge belanden we in de bus naar Kjoestendil, een klein, vergeten provinciestadje in een uithoek van Bulgarije. Een soort Emmeloord, zou je kunnen zeggen. Omdat er geen bus meer verder blijkt te gaan, besluiten we om het centrum van Kjoestendil in te ‘duiken’, op zoek naar een slaapplaats. Het centrum bestaat uit een groot plein waar kinderen op mountainbikes met gekleurde ledverlichting onder hun frame steeds dezelfde rondjes fietsen. Verder is er een park, een speeltuin, een openluchtkapel, een handvol cafeetjes en dat was het wel zo’n beetje.

    Het aftandse hotel waar we na een korte zoektocht (en met onverwachte lokale hulp) naar binnen lopen stamt zo te zien nog uit het socialistische tijdperk. Jaren zestig interieur, haperende elektriciteit en een bejaard mannetje achter de receptie dat geen één letter Engels spreekt. Nadat de beste man na vijf lange minuten eindelijk doorkrijgt dat we geen Bulgaars spreken maar wél graag een kamer willen boeken proberen we non-verbaal in te checken, wat moeilijker blijkt dan gedacht. Gelukkig is de oplossing nabij. Het mannetje diept een ouderwets model mobiele telefoon op uit zijn jasje en draait een nummer. We krijgen een vrouwtje aan de lijn dat warempel wel Engels spreekt en zodoende lukt het ons om uiteindelijk een kamer te bemachtigen. De hotelkamer stinkt naar sigarettenrook en is bijzonder gehorig maar gelukkig is er wel wifi. Tenminste, volgens het vrouwtje. Volgens onze iPad niet.

    Na Kjoestendil zetten we koers naar Blagoëvgrad en het nabijgelegen Rilaklooster. En zo trekken we dieper Bulgarije in. Maar dat is een ander verhaal.

    *: Een prachtige term, voor zover ik weet oorspronlijk gemunt door Marjan Knippenberg.

  • Bivakkeren op de Balkan

    Bivakkeren op de Balkan

    № 5 | Deel 1: Europa

    “Taxi? No, no! This no taxi, haha!” Met een uitnodigend gebaar houdt het Albanese knulletje de achterklep van de terreinwagen voor ons open. We stappen in, gerustgesteld. Een serieuze backpacker dient taxi’s natuurlijk ten alle tijde te vermijden. Vanuit de auto kijkt de rest van het gezin—vader, moeder en puberdochter—ons vriendelijk glimlachend aan. Een gesprek voeren lukt niet echt, maar ze willen ons graag afzetten in Bajram Curri, een klein bergdorpje dat vernoemd is naar een Kosovaarse rebel die zich hier in de oorlog verstopt heeft. Liften in Albanië blijkt goed te werken, zelfs op een afgelegen plek als deze: de vallei van Valbona.

    Rilindja

    De afgelopen dagen waren heerlijk. We hebben midden tussen de steile bergen gekampeerd langs een ijskoud beekje op het terrein van Rilindja. Via de website Journey to Valbona zijn we hier terechtgekomen. Naast een kampeerterrein waar je voor twee euro per persoon je tent mag opzetten, bezit Rilindja een restaurant (wat voortreffelijke lokale gerechten serveert!), een forellenvijver, een guesthouse en een toeristenbureau dat informatie verschaft over trekking in de bergen. Een echt ruig gebied is het hier. Er leven zelfs beren, wolven en gevaarlijke slangen. Maar wees maar niet bang, geen van deze dieren hebben we gezien. Wel zagen we hagedissen en loslopende koeien met belletjes, wat hier blijkbaar normaal is. Ook geiten, paarden en varkens kwamen we met enige regelmaat langs en op de weg tegen. Soms met herder, soms niet.

    Cruise

    Om vanuit Shkodër in Valbona te geraken is er eigenlijk maar één echte optie: de veerboot over het Komanimeer. Omdat het landschap zo ruig is, zijn er namelijk niet veel wegen in dit gebied. En de wegen die er zijn, zijn vreselijk hobbelig en niet zelden gevaarlijk. Zo ook het weggetje naar de veerboot: vangrails vaker niet dan wel, wat natuurlijk helemáál niet betekent dat er niet ingehaald kan worden. Welkom in Albanië!

    De cruise met de veerboot was in één woord prachtig. We zijn nog nooit in Noorwegen geweest, maar we denken dat varen door de Noorse fjorden vast en zeker te vergelijken moet zijn met deze boottocht. De foto’s spreken voor zich!

    Het krakkemikkige busje richting de veerboot had plek voor vijftien passagiers maar er gingen er negentien mee. In Albanië gaat het allemaal een beetje anders dan in Nederland. Zo krijgen auto’s die in Nederland allang zijn afgeschreven hier nog gerust een tweede, derde, vierde of zelfs vijfde leven. Neem de Opel Kadett bijvoorbeeld. In Nederland al lang en breed een museumstuk, hier rijdt ‘ie nog gewoon vrolijk rond. Ook de onverwoestbare Mercedes-Benz zien we veel. Voor liefhebbers van getunede auto’s is Albanië trouwens helemaal het walhalla. Wat een bakken rijden hier rond zeg. Gloednieuwe topmodellen soms, met of zonder kentekenplaat. “Probably stolen”, aldus Jason van Florian’s Backpackers.

    Prizren

    Over hostels gesproken: we liggen nu in een hangmat op het dakterras van City Hostel Prizren in Kosovo. Let op, want wat we je nu gaan vertellen is heel bijzonder. In dit hostel is ’s avonds alle drank gratis. Dat hebben we nog niet eerder meegemaakt!

    Prizren is een ontzettend gezellig stadje. Sierlijke bruggetjes, knusse pleintjes en een monumentale ruïne met verrassend mooi uitzicht over de stad. Een stad die zich overigens kenmerkt door een overvloed aan minaretten. We hebben er zeker vierentwintig geteld. Gek genoeg komt dit nauwelijks terug in de kleding van de mensen op straat. Je ziet wel wat moslimhoedjes en hoofddoeken maar niet veel. De muziek die uit de autoradio’s schalt is in ieder geval Oosters. Irritant eentonig soms.

    ’s Avonds op het dakterras drinken we een paar (gratis) biertjes met Khalid uit Saoedi-Arabië. We wisselen reisverhalen uit en zo komen we erachter dat toegang tot Saoedi-Arabië voor westerlingen gewoon mogelijk is. Wij dachten altijd van niet. Alleen Mekka blijkt verboden. Andersom is reizen voor Khalid niet zo makkelijk. Voor heel veel landen heeft hij een visum nodig, waaronder het moeilijk te verkrijgen Schengenvisum voor West-Europa. Macedonië en Kosovo zijn één van de weinige Europese landen waar hij wel eenvoudig heen kan. De foto’s van onze blonde familieleden vond hij trouwens erg mooi!

    Reisdagboek als uitkomst

    Wat is er toch veel te vertellen als je aan het reizen bent. We ontmoeten de meest kleurrijke mensen. Meestal zijn dit andere reizigers (waaronder opvallend veel langeafstandfietsers) maar ook te midden van de lokale bevolking ontstaan dikwijls leuke contacten. Zo kregen we bijvoorbeeld gisteren, onderweg naar Kosovo, twee gratis blikjes Icetea van een jonge gozer die voor ons in het busje zat. Hij vond die twee buitenlanders wel interessant waarschijnlijk. Een voorbeeldje dat goed weergeeft hoe de mensen hier op ons overkomen: enorm hartelijk!

    Ja, we beleven veel. Teveel om op te noemen eigenlijk. Daarom zijn we erg blij met de reisdagboekjes die we cadeau gekregen hebben. Ze zijn eenvoudigweg onmisbaar. Elke dag krabbelen we er gebeurtenissen en steekwoorden in op, waarvan een kleine selectie in verhaalvorm op dit blog terechtkomt. Geloof ons, het is ondoenlijk om alles op te schrijven wat we zien en meemaken. Dan zou er van het reizen zelf weinig meer terechtkomen.

  • Jadranska magistrala

    Jadranska magistrala

    № 4 | Deel 1: Europa

    Na ons bezoek aan Boedapest namen we de trein naar Zagreb en vanuit daar direct de nachtbus naar Dubrovnik, gelegen in het zuidelijkste puntje van Kroatië.

    Op het station van Boedapest werden we geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten: grote groepen Syrische vluchtelingen. We hadden een gesprek met enkelen van hen en voelden plaatsvervangende schaamte. Zo onrechtvaardig hoe er met deze mensen wordt omgegaan. En zo’n contrast. Wij kunnen gaan en staan waar we willen. Zij absoluut niet.

    Bosnië

    We hadden verwacht dat de nachtbus van Zagreb naar Dubrovnik gewoon door Kroatië zou rijden, maar in plaats daarvan bleek hij dwars door Bosnië te gaan. Al rijdend door kleine, authentieke dorpjes met nog volop leven op straat en overal de typische Balkan kerktorentjes én minaretten kregen we een interessante eerste indruk van dit veelal onderbelichte en vaak negatief afgeschilderde deel van Europa. Tussen de plaatsen in reden we door een schitterend landschap van ruige bergen en diepe kloven. Het was natuurlijk nacht maar doordat de chauffeur steeds groot licht aan had konden we er toch redelijk wat van zien. Vooral de weg tussen Banja Luka en Jajce was erg mooi.

    Toen het weer licht was bleek dat we inmiddels in Mostar waren aangekomen. Helaas hebben we het historische centrum met zijn beroemde brug en de door de oorlog deels verwoeste huizen niet kunnen zien omdat de bus alleen een buitenwijk aandeed. Na Mostar bereikten we al snel de Bosnisch-Kroatische grens, waar we getrakteerd werden op een strenge grenscontrole. Na een klein stukje Kroatië en een eerste glimp van een azuurblauwe Adriatische zee stonden we vreemd genoeg ineens weer voor de grens met Bosnië. De lange kustlijn van Kroatië wordt in het zuiden namelijk één keer onderbroken door een verdwaald stukje Bosnië. De bus stopte voor een pauze in het schilderachtige plaatsje Neum en niet lang daarna konden we opnieuw aansluiten voor een grenscontrole. Ook deze duurde zeker een uur. Mede daardoor arriveerden we pas om half twee ’s middags in Dubrovnik. Omdat we ’s nachts rond twaalf uur uit Zagreb waren vertrokken had deze busreis dus bijna veertien uur geduurd.

    Dubrovnik

    Kort samengevat vonden we Dubrovnik zeer toeristisch en schandalig overpriced maar ook ontzettend sfeervol en vooral héél erg oud. We hebben overnacht op camping Solitudo waar we vijfentwintig euro voor een tentplaats moesten neertellen (goedkopere opties waren er niet) en we hebben gezwommen in het heerlijk warme water van de Adriatische zee. 

    Jadranska magistrala

    Voor wie nu verder leest, is het leuk om de wegenkaart erbij te pakken. Zoek de weg eens op die van Dubrovnik in Kroatië naar Kotor in Montenegro loopt. En vervolgens via Ulcinj in Montenegro verder richting Albanië. Je zult zien dat deze weg bijna volledig de Adriatische zeekust volgt. Ik denk dat we niet overdrijven als we zeggen dat dit één van de mooiste plekken is die we in ons leven gezien hebben. In het bijzonder het gedeelte rondom de baai van Kotor was ontzagwekkend. Duizelingwekkend hoge bergen op de achtergrond die zichzelf weerspiegelen in het heldere, kalme water van de baai. Nieuwe strandjes na elke bocht, waterpoloërs, dobberende roeibootjes langs de kant, zonnige villa’s op de berghellingen en natuurlijk (want Mediterraans) overal cipressen en palmbomen. De “Jadranska magistrala”, oftewel de Adriatische snelweg, is een schitterende autoroute die we iedereen van harte kunnen aanbevelen!

    Florian’s Backpackers

    Tijdens dit schrijven zitten we op de beschaduwde voorveranda van Florian’s Backpackers, een gezellig hostel in Shkodër, Albanië. Best even lekker zo, want het zijn warme dagen. Overdag wordt de veertig graden met gemak aangetikt en ‘s nachts koelt het maar nauwelijks af. De zeewind die hier af en toe sterk komt opzetten is om die reden dan ook heerlijk, en de ventilator aan het plafond ook!

    Wat betreft Albanië: we merken direct verschillen met buurland Montenegro en al helemaal met Kroatië. Albanië oogt zeer arm. Maar wat een bijzonder vriendelijke mensen hier zeg! Jason, een relaxte Brit die eigenaar Florian helpt met dit hostel, wuift alle spookverhalen over ontvoeringen en maffia weg. Volkomen onterecht volgens hem. Hij verzekert ons dat de Albanezen erg blij zijn met toerisme en dat we niets hoeven te vrezen. Ja, er bestaat criminaliteit, maar die is in ieder geval niet gericht op toeristen. Hello, where are you from? Do you speak English?” zijn de begroetingszinnen waarmee we door de kinderen op straat worden aangesproken. We voelen ons welkom en veilig hier.

    Leuke lui hier in het hostel trouwens. Zoals Cesar uit Guatemala, met wie we een lang gesprek voeren over de filosofische kant van het reizen. Hij is al vijf jaar lang met tussenpozen op reis en deelde zijn ervaringen met ons. De belangrijkste les: durf je planning los te laten en laat alles lopen zoals het loopt. Een fascinerend persoon, die Cesar. Ook Jason van het hostel is zo iemand die je ontmoet en daarna niet meer vergeet. We kunnen goed merken dat hij leraar is geweest. Geïnteresseerd in de verhalen van zijn gasten (jonge backpackers zoals ons meestal), vol met leuke feitjes en verhalen doorspekt met droogkomische Britse humor, een beetje vaderlijk af en toe en tegelijkertijd lekker chill. Jason heeft een vrij avontuurlijke manier van leven: een paar maanden per jaar werkt hij in hostels en voor de rest geeft hij her en der Engelse les. Zo reist hij de wereld rond.

  • Bratislava, Boedapest en de Donau

    Bratislava, Boedapest en de Donau

    № 3 | Deel 1: Europa

    Na Praag kwamen we met vijf zeer afwisselende lifts aan in Boedapest. Onderweg hadden we bij een tankstation in Bratislava, Slowakije een bijzondere ontmoeting met een groep jongens uit Koeweit die met oude Amerikaanse auto’s door Europa aan het toeren waren. Geweldig! Ook weer veel andere lifters ontmoet.

    In Boedapest hadden we pas succes bij het vierde hostel. Alles was volgeboekt in verband met Sgizet, een groot muziekfestival met artiesten als Robbie Williams en Kings Of Leon. Een slaapplek vinden kostte dus nogal wat zweetdruppeltjes, als pakezels kriskras door de stad sjouwend.

    Boedapest: wat een stad! Heel anders dan Praag maar zeker net zo mooi. Veel bijzondere huizen, paleizen, kerken en bruggen in allerlei bouwstijlen waar de geschiedenis vanaf druipt. We begrijpen nu ook hoe het klassieke muziekstuk “An der schönen blauen Donau” aan zijn naam komt. De Donau is hier indrukwekkend breed en behoorlijk blauw. Daar valt inderdaad best een stuk over te componeren.

    Omdat de prijzen in het hostel ineens verdriedubbelden in verband met het festival, hebben we de tweede nacht op stadscamping Haller geslapen. Weer eens wat anders.

  • Vandaag uit Praag

    Vandaag uit Praag

    № 2 | Deel 1: Europa

    Eindelijk is het dan zover: ons vertrek is een feit. Na een lange, warme liftdag van zestien uur zijn we maandagavond net voor middernacht aangekomen in Praag.

    Nadat grote vriend R. ons maandagochtend vroeg had afgezet aan de A1 bij Apeldoorn kregen we direct een lift naar Oldenzaal. We hoefden er niet eens om te vragen, want de chauffeur, Remco, bood het zelf aan. Daarna volgde een lift van Marius en zijn moeder naar Osnabrück en vervolgens nam een half Tunesische Berlijner ons mee naar Magdeburg. Laatstgenoemde wist het gaspedaal wel te vinden trouwens.

    Tussen de liften door moesten we vrij lang wachten, maar omdat we steeds opnieuw koppels van een liftwedstrijd tegenkwamen was dit ook wel weer leuk. We hadden de pech dat het voornamelijk vakantieverkeer was dat stopte bij de tankstations. En die zaten bijna allemaal tjokvol. Verbazingwekkend wat mensen soms meenemen voor een paar weken vakantie, denk je dan. Zeker als je onze kleine backpacks ernaast legt.

    Maar geduld loont! De één-na-laatste lift werd ons aangeboden door een aardige Albanees die het als zijn plicht zag om ons mee te nemen. Hij woonde in Londen en had net in Duitsland een Mercedes gekocht. De laatste, beslissende lift kregen we van Frido en Eric, twee vrolijke vrienden uit Bremen die duidelijk van heavy metal hielden en onderweg waren naar Praag om te gaan feesten. Natuurlijk mochten we mee!

    We hebben enorm genoten van Praag. De stad ademt een middeleeuwse en bijzondere sfeer. En wat een prachtige gebouwen! Van Jakub, onze zeer gastvrije couchsurf host, kregen we leuke insider tips. Zo hebben we dinsdagavond een mooie avondwandeling gemaakt langs het kasteel met uitzicht op de lichtjes van Praag en hebben we woensdag, op G.’s verjaardag, heerlijk gedineerd op een chill dakterras. ’s Avonds woonden we als afsluiting een openlucht movie night bij in de tuin van Cross Club, een hippe club met fantastisch industrieel design.

  • Reisplannen

    Reisplannen

    № 1 | Voorbereidingen

    Op maandag 3 augustus 2015 hopen we voor anderhalf tot twee jaar richting Azië te vertrekken. Ons plan is om over land via de Balkan en Turkije naar Iran te reizen. Het eerste deel liftend en daarna met de bus of trein. Hier willen we zo’n acht tot tien weken voor uittrekken. Slapen doen we in onze tent, in een hostel of bij mensen thuis.

    Vervolgens gaan we per vliegtuig verder naar Centraal-Azië, waar we een adres hebben gevonden voor vrijwilligerswerk tegen kost en inwoning. Hier zullen we zo’n acht maanden blijven. Na deze periode hopen we onze reis te vervolgen richting Zuidoost-Azië om daar een aantal maanden rond te trekken maar ook om onze handen uit de mouwen te steken bij diverse projecten.

    Een groots plan maar zeker niet onuitvoerbaar. Inmiddels hebben we er al driekwart jaar voorbereiding op zitten en begint ons plan serieus vorm te krijgen. Nog eventjes werken en dan is het zover… We houden jullie op de hoogte!